2
Gij kunt als menig land niet bogen
op meer of berg of dal,
maar toch Noord-brabant zijn uw gouwen
op aard ons 't liefst van al.
Laat ons uw steden en uw dorpen.
Verscholen tussen 't groen,
uw beekjes, veld en bos en heide,
niets kan ons meer voldoen.
4
Waarheen ons 't lot ook moge voeren,
ons hart blijft voor u slaan.
Wat and're landen ons ook geven,
gij zijt en blijft vooraan.
Ons enig dierbaar, eigen Brabant,
wat ook gebeuren zal,
ons Brabant, waar wij leven, sterven,
ons Brabant bovenal.