Als de winter vlucht voor de lentelucht
en de zon het nieuwe leven wekt.
Als een bloesemkroon met haar teder schoon,
in de hof de naakte twijgen dekt.
Dan zingt al wat leeft en zingen kan verblijd:
“Wees gegroet, vol schone lentetijd.
Wees gegroet! Wees gegroet!
Wees gegroet volschone lentetijd”!
Ja, ons hart gloeit, nu ‘t viooltje bloeit,
nu ons ‘t madeliefje tegenlacht.
En met blijde klank brengen w’onze dank,
voor de zonneglans de bloemenpracht.
Zo weerklinke ons lied dan wijd en zijd:
“’k Heb u lief, o schone lentetijd!
‘k Heb u lief, ‘k heb u lief.
‘k Heb u lief, o schone lentetijd”.