In Mecklenburg daar woonde een Vorst
(Bekroond door "de Telegraaf")
1.
In Mecklenburg daar woonde een Vorst,
Een Hertog, jong van jaren.
Waar vind ik, sprak hij, toch een vrouw
Met wie ik gaarne trouwen zou.
Een meisje met blond' haren?
2.
Toen reisde hij de wereld rond,
Trotseerde stroom en winden,
Maar zag geen meisje, dat hem leek,
Waar hij ook ging, hoe hij ook keek,
Hoe hij ook keek, hoe hij ook keek,
Hij kon haar nergens vinden.
3.
Maar, bij zijn thuiskomst op het slot,
Was hoog bezoek gekomen;
Daar, naast een kloeke Koningsvrouw,
Stond fier Wilhelma van Nassau,
Ja, van Nassau, ja, van Nassau,
Als 't meisje uit zijn dromen.
4.
Zij lachten en zij bloosden bei,
Zij vond hem flink en vaardig;
Een man, zoals zij gaarne zag,
Een vorst van 't oude stoere slag,
Van 't oude slag; van 't oude slag;
Een Koningin wel waardig.
5.
Ik heb Uw land en volk al lief,
Zoo sprak hij, wordt mijn vrouwe!
Toen lei haar handje ze in zijn hand,
Uw liefde voor mijn Nederland,
Mijn Nederland, mijn Nederland,
Die is 't waarop ik bouwe!
6.
En zoo met Wilhelmientje kwam
Hij hier naar dez' landouwen,
Waar alles voor en door haar leeft,
En dat hij haar gewonnen heeft,
Gewonnen heeft, gewonnen heeft,
Dat zal hem nooit berouwen.
G.H.Priem
Een
Dat zingen, ja bidden wij.
2.
't Is feest, 't is feest, Goddank! God lof!
We erkennen, 's Hemels zegen;
Uit stad en vlek, uit hut en hof,
Klinkt lof en dank Hem tegen;
En schalt een zang of vloeit een traan,
God heeft het evengoed verstaan.
N.N.