1.
De Vaderen, wier moed ons met geestdrift vervult,
Zij wijzen op 't roemrijk verleęn;
Roept Holland ons eens weder op tot den strijd,
Ontbreken van ons dan niet één.
Al viel ook de machtigste vijand ons aan,
Steeds als broeders ten strijde gegaan,
Getrouw aan de spreuk eens der vaderen kracht,
De spreuk vab het: "Eendracht maakt macht."
2.
Al zijn ook de dagen van grootheid voorbij,
Die Neęrland weleer heeft gekend,
Toen 't Westers Europa met vrees en ontzag
Het oog naar ons land hield gewend.
Toch blijft het een eer zich te noemen uw zoon,
O, Neęrland, ook zonder die grootheid nog schoon!
Getrouw aan de spreuk eens der vaderen kracht,
De spreuk van het: "Eendracht maakt macht."