
Versjes Poesiealbum Theodora 1868 (4)
De Liefde is Een Licht
De liefde is een licht voor den geest, en
voor het hart een heilige gloed.
Gelijk de zeven kleuren uit de straalbreking, zoo ontstaat
uit De Liefde alle duegd en vereenigt zij zich
weêr in de liefde.
Het wezen der ware liefde is, dat zij
den mensch in betrekking stelt tot al
wat goed en schoon is, hem aan de
menschheid verhecht en tot God opheft
uit dankbaarheid en zielsgevoel.
Die beminnen kan is sterk,
Die beminnen kan is rechtvaardig;
Die beminnen kan is kuischj;
Die beminnen kan, kan alles ondernemen en alles lijden.
De ziel van hem, die in waarheid lief heeft,
is een heilige tempel, waar de
wierook zonder ophouwen brandt, waar alle
stemmen van God spreken en alle
verwachtingen die der onsterfelijkheid zijn.
In de liefde schonk ons de hemel een rijke gift.
Zij versmelt ons geheele wezen
en brengt het ware goud aan den dag.
------
Genomen uit verschillende schrijvers en
gecopieerd door Uwe U zeer liefhebbende
Johanna Davervelt
---
's Heerenberg, 27 Augustus 1871

Geloof
'k Zie, een vader, die een bergpad,
Met zijn kind in d'armen betreedt.
't Pad voert langs een afgrond henen
Langs een afgrond, vreeselijk dreigend
woest en donker, diep en breed
----
Maar dat kind dat in de diepte
Van die bergkloof nederziet
Voelt dat hem zijn vader lief heeft
Daarom wordt het niet onrustig
daarom vreest het knaapje niet
-----
't Kind Gelooft: het is verzekerd,
Dat zijn vader hem bemind,
En het glimlacht tegen d'afgrond,
o, benijdenswaardig kind.
Had ik iets van uw geloof,
Voelde ik steeds in allen nood
Dat ons vadersarmen dragen
'k Had dan vrede voor den dood.
-----
Uwe U hartelijk liefhebbende
Marie
----
's Heerenberg 24 Februari 1872

Geloof in Hoop en Liefde
Nu nog de jeugd u 't hoofd omkranst met lieve lentebloemen
En 't helderst licht uw pad omstraalt en vrolijk u doel roemen.
Nu nog de toekomst voor uw oog niets schetst dan idealen.
Omflonkert met een tooverglans van kleurengloed en stralen.
Nu hoort gij soms in 't jeugdig hart een blijde stemme klinken.
Die al wat uwe verbeelding schiep in reiner glans wel blinken
Die stem, vriendin, zij is u zoet, schoon vlugtig wee soms griefde
Zij fluistert u de woorden toe Geloof en Hoop en Liefde
-------
Als eens uw schoone lente vlugt voor rijper levensdagen
En gij bij wisslend lief en leed des werelds lot zult dragen
Als Uw Geloof vaak word beproefd en ge ook Uw Hoop ziet tanen
Of Gij de Liefde een ledig woord, een ijdele klank zult wanen
O, Mag dan nog in hooge zin die blijde stemme klinken
Die al wat u omringen zal in heiliger licht doet blinken
En of de vreugd u tegensloeg en of de smart u griefde
Nog fluistren ze u de woorden toe:
Geloof en Hoop en Liefde
------
Dan hebt ge een steun, die nooit bezwijkt
een licht dat nooit verdonkert.
Een straalkrans, die met hemelgloed,
uw voorhoofd steeds omflonkert.
Gij zult in lief en leed gesust, geen smart of rampen vreezen;
Steeds zal die hemelstemme, een wakende engel wezen.
En als gij eens uw levenszon ter kimme neerziet zinken.
Dan zullen u op eng'lentoon de woorden tegenklinken.
Gij hebt geloofd, gij hebt gehoopt, in u mogt Liefde wonen.
Daarom zal ook een eeuwige jeugd met eeuwige lente u kroonen.
-----
's Heerenberg, 31 April 1872
----
Gec. door Uwe u regt liefh. J.D.v.d. Loeff

De beste Vriend
Ik heb een vriend met ijzren hand
Een koel gebiedend oog
Met regt gevoel en kloek verstand,
Doch vaak wel norsch en droog
----
Zijn woord voor mij, zijn wil is wet;
Zijn wenken is gebod;
Wee! Zoo mijn ziele zich verzet;
Hij rooft mij elk genot.
----
Hij stoort mij soms in 't zaligst uur,
Bij lust en feest en leed;
Als in de weelde der natuur
Mijn droomend hart geniet.
-----
Hij jaagt mij van de liefste plek,
Hoe zoet de morgen lacht;
En sluit mij op in 't eng vertrke,
Daar lastige arbeid wacht.
---
Hij dwingt mij kalm te zijn en sterk,
Terwijl mij 't harte bloedt;
En als ik ween, dan zegt hij : zoek!
Als ik niet kan: Gij moet!
---
Hij baart mij strijd, hij geeft mij rust,
In zorg of zweet ve
Hoedster, droog de natte wangen,
Treur niet op de doode pop,
Blijf niet aan zijn webje hangen;
't Vlindertje is niet meêr te vangen;
's Hemels Engelen vingen 't op.
rdiend;
Hij is mijn Last, hij is mijn Lust,
Mijn Plaag en toch mijn Vriend.
----
Want volg ik hem, dan rondom mij
Schept hij mij vrede en licht,
En stemt mij 't hart zoo ruim zoo vrij.....
Hoe is zijn naam? DE PLICHT
------
Gecopieerd door je innig liefhebbende
vriendin A.E.Hartevelt
--------
's Heerenberg, 7 Mei 1872

Bij het lijkje van een vriend
't Kruipend rupsje moe gekropen
Had getobd in d'enge cel,
Brak zijn kluisje fladderend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.
Zie, daar wiegt het, zie daar zweeft het,
Aardsche damp en druk ontvlugt;
'Hooger vliegt het, hooger zweeft het,
Had gespeeld in lagen lucht.
Hoedster, droog de natte wangen,
Treur niet op de doode pop,
Blijf niet aan zijn webje hangen;
't Vlindertje is niet meêr te vangen;
's Hemels Engelen vingen 't op.

H.Tollens CZN ( 1780 - 1856 )
--------
's Heerenberg 9 July 1872
--------
Uwe liefh. A.v.d.Loeff

Excelsior
De nacht daalde op de Alpen top,
Daar steeg in 't dorp een jongling op.
Hij zwaaide een vaandel in het rond,
Waarop de vreemde leuze stond:
"Excelsior!"
---------
Zijn voorhoofd was omwolkt, zijn oog
Blikt als een schitt'rend zwaard omhoog;
Als klankrijk erts, zoo schoon, zoo diep
Weerklonk de stem, waarmee hij riep:
"Excelsior!"
----------
Wel vriend'lijk straalde in het donker uur,
Van heet tot heet, het vrolijk vuur;
Als spoken rezen in den nacht
De Gletschers op maar hij zucht zacht:
"Excelsior!"
-----------
Een andere dappere sprak: "laat af
Deet 'steile lotsweg voert naar 't graf!
reeds bruischt de storm, de bergstroom zwol!
Als antwoord klonk het diepe en vol:
"Excelsior!"
----------
Vermijd den woesten waterval
Vlied der lawinen reuzenbal!
Dat was des landmans laatste woord;
Hoog in 't gebergte klonk het voort:
"Excelsior!"
------------
Des morgens, als tot God aan kracht
De bede ootmoedig werd gebracht,
In lint Bernaerdus Kloosterkoor,
Klonk lang de stem in aller oor::
"Excelsior!"
------------
En ijlings zucht en weldra vond,
Op 't sneeuwpad hem de kloeke hand;
Nog klemt de hand, al zweeg de mond;
Het vaandel, waar zijn leuze op stond:
"Excelsior!"
------------
In 't schemerdonker lag hij daar,
Koud, maar toch schoon, en wonderbaar
Klonk van omhoog en als van ver
Een stem, die neerdaalde uit een ster:
"Excelsior!"
---------
's Heerenberg, 9 July 1872
-------
Uwe U hartelijk liefhebbende
Romelia R.

Altijd Liefde
God geeft, God neemt, - Hij zij geprezen!
Geprezen!........als het hart bloedt?
Niet wil en nochthans missen moet?.......
Ach, 't zou den mensch niet mooglijk wezen
Als, waar Hij kan, de Algoede ons ziet
Altijd een schoone einding biet
------
A.J. De Bull (1823 - 1888)
------
Zutfen, 28 July 1872
--------
Uwe U zoo zeer liefhebbende
Nellie Klaasjen

Ware Eigenbaat
Heb mensch! boven alles Uw God hartelijk lief!
Heb, juist als u zelven, uw naasten ook lief!
Dan hebt ge in waarheid U zelven ook lief!
-------
Help U Zelf
Breek' onder U de vonder,
Denk niet, dat Godes hand
U uithelpt door een wonder,
En overzeet op 't land.
God toont U zijn erbarmen,
Dat Hij U armen gaf;
Welnu, roei met die armen
U zelf uit 't watergraf!
---------
Levenswijsheid
Wilt ge getroost door 't leven gaan,
Zie voor U zelf!
En nimmer vreemd in 't leven staan
Zie om U zelf!
Ook juist Uw waarde gadeslaan,
Zie in U zelf!
--------
Nut van een Vijand
Wensch vurig naar een vriend, ook is een vijand goed;
Leert de eerste U, wat ge kunt, de laatste wat ge moet.
---------------
Wat is Bidden ?
Was het bidden handenvouwen,
Oogensluiten, en niets meer;
Welk een schare van getrouwen,
En vereerders van den Heer!
Bidden is, zich overgeven,
Toevertrouwen aan dien God,
Die ons d'adem geeft en 't leven
Vader is van heel ons lot.
Is dat bidden? - Dan voorzeker
Heeft de les van Paulus klem:
Bid niet slechts bij brood en beker,
Maar bid onophoudlijk Hem!"
------------
De Woonplaats
Niet boven de wolken, mensch! Zetelt een God,
En toornt en dreigt daar met smarte!
Neen, rond U in 't leven bestuurt Hij elks lot,
Ook 't Uwe, en woont in uw harte.
----------
Een Nutte Rekenles
Breng in 't Kwadraat, Kubeer, of hef tot hooger magt,
Al 't goed, dat men U deed, of immer toebedacht;
Maar 't cijfer van al 't Kwaad, op dat de reekning sluit,
Trek daar, juist omgekeerd, gerust de wortels uit.
-----------
Zie op 't Gevolg
Niet steeds is de zee kalm en effen en glad,
De hemel niet helder, de boom niet in 't blad;
Wat klaagt ge dan, mensch! over rampen zoo hoog!
Is ramp wel steeds, die 't gelukt U onttoog?
-----------
O, werd dit Opgevolgd
Spreek steeds, zooals ge denkt, en denkt ge niet zoo zwijg;
Maar handel zoo ge spreekt, dan is er minder krijg.
-------------
Beste Door, Voor eenigen tijd kreeg ik in handen een
boekje hetwelke den vreemden titel had van:
"Rosramtonen"door "Dioscoridus".
Onder veel wat minder mooi was, trokken
enkele stukjes mijn aandacht, misschien wel
omdat ze eenige, zij het dan ook kleine,
overeenkomst trekken met de onvergelijkelijke
Leekedichtjes van de Genestet. Ge wildet er
een paar gecopieerd hebben en bied ik ze U
hierbij aan terwijl U toewensch: dat mochten
ook voor U, even als bij ieder wel eens het geval
is, minder aangename dagen aanbreken, ge
steeds kracht zult hebben het hoofd omhoog te
houden en dat ook gij ondervinden moogt,
dat wat men op het oogenblik een "ranp"noemt
in het vervolg meestal blijkt zoo al
geen zegen toch goed te zijn geweest.
---------
Zutphen, 27 Augustus 1872
--------
Uwe toegenegene Klaasjen

Het Klaverblad
Daar daalde een duifje van den hemel,
Ter neer op d'aard,
Zoo Zoo wit als sneeuw, zoo zacht als zijde,
Zoo vlug van vaart
--------
't Hield in zijn bekje een klaverstengel
Voorzichtig vast,
Waaraan een drietal schoone blaadjes
Te zaam gepast
----------
Het duifje wierp op aarde het steeltje
Vol blijdschap neêr,
En aanstonds vloog 't zijn wiekjens klepperend
Ten hemel weêr!
------
Doch zalig, zalig! die de blaadjes
Hervindt beneên!
Zij zijn Geloof en Hoop en Liefde
Te zamen één
-------
's Heerenberg, 29 July 1873
-------
Uwe U hartelijk Liefhebbende
Aleida Klaasjen

Jonge Roeping
Niet te droomen, niet te zuchten
Niet te klagen, naar ik meen
Niet te schuwen noch te vluchten
's Levens reine lieflijk heên,
-----
Maar te midden van den zegen,
Die u toestroomt van uw God,
Bloemen strooiende op uw wegen
Liefde wevende in uw lot.
------
Maar ootmoedig en bescheiden
En beminlijk en bemind,
Vrede en vreugde te verspreiden
Als eens zij ken vaders kind!
-----
Dat is leven God te eere,
Naar de roeping uwer jeugd,
Naar de trouwe liefde heere,
Die verzoent, vertroost, verheugt.
-------
Want de kindren Gods zijn blijde,
Blijde ook onder strijd en plicht,
't Leven heeft zijn donk're zijde,
Maar hun ziele heeft het licht.
--------
't Heeft wat bloeit in de aardsche dreven,
Maar voor 't hart in God gesust,
Uit den grond van 't hooger leven,
Bloeit steeds frissche levenslust
--------

P.A. de Genestet ( 1829 - 1861 )
----'s Heerenberg, 30 Augustus 1873
-----
Mocht dit versje door mij dikwijls herlezen worden
en gij daarbij nog eens denkend aan
Uwe U liefhebbende
Agathe

Een leven zonder liefde is gelijk
aan een dag zonder zoneschijn of
een nacht zonder sterren.
P.A. de Genestet ( 1829 - 1861 )

De Liefde is het leven van het leven
Stolberg

Beste Door, Als de laatste oogenblikken voor
mijn .....schrijf ik bovenstaande woorden in uw album.
Dat het scheiden mij zwaar valt behoef ik niet te zeggen,
doch er is een ding, dat het mij gemakkelijk maakt, Te weten,
dat de hartelijke liefde van allen, die ik thuis achter laat,
mij in gedachte volgen zal.
Waar de afstand tusschen hand en ander weggenomen wordt door den
liefde. Maar zal ook zeker de afstand tusschen ons door die
liefde gering zijn. Wees overtuigt dat een hartelijke
liefhebbend broederhart je hoopvol:
"Tot weerziens" toeroept!
Uwe U innig liefhebbende broer Henri
------
's Heerenberg, 15 Juni 1874