Versjes   Poesiealbum     Theodora  1868  (2)

O Heb U Lief

O, heb ze lief die God U heeft gegeven,

Zoolang u God met hen vereent,

Het uur zal slaan, het uur zal zeker komen,

Dat ge aan heur groeve treurt en weent.

----

En zorgt dat steeds het hart u warm blijft gloeien

En liefde kweekt en liefde voedt,

Zoolang daar nog een hart mag gloeien

Dat u zijn liefde voelen doet.

------

O, Hebt ze lief die God u heeft gegeven

Zoolang u God met hen vereent,

Het uur zal slaan, het uur zal zeker komen,

Dat ge aan heur groeve treurt en weent

------

En zet een wacht gedurig aan uw lippen

Zoo licht ontglipt een bitter woord,

Bij God, gij hadt volstrekt geen kwaad bedoelen

Maar 't heeft uw naasten 't hart doorboord

---------

O, heb ze lief die God U heeft gegeven,

Zoolang u God met hen vereent,

Het uur zal slaan, het uur zal zeker komen,

Dat ge aan heur groeve treurt en weent.

----

Dan 't weenend oog in 't kerkhofgras gebogen,

Van tranen nat,, knielt gij ter neer,

Bij 't somber graf, de rustplaats uwer dooden,

Maar ach! Gij ziet hen nimmer meer.

---------

Gij smeekt, gij bidt; sla de oogen op mij neer,

Die aan uw groeve treurt en weent,

Vergeef mij toch al wat ik heb misdreven,

Bij God, het was niet kwaad gemeend.

-----

Helaas! Hij ziet noch hoort, hij zal niet komen

Opdat gij hem weer welkom heet;

De mond, die vaak u kuste, kan niet spreken:

't Is al vergeven wat gij deed.

-----

Ja, sedert lang, had hij u reeds vergeven

Dan ach uw scherp en bitter woord,

Deed menigmaal hem heete tranen  schreien,

Maar stil  hij rust, hem niet gestoord!!

------

O, heb ze lief die God U heeft gegeven,

Zoolang u God met hen vereent,

Het uur zal slaan, het uur zal zeker komen,

Dat ge aan heur groeve treurt en weent.

---------

Ter herinnering aan uwe u Liefhebbende zuster

Cato Kouwenberg

------

's Heerenberg, 11 April 1868

Het stervende kind

Moederlief! Van waar die toonen,

Die daar dringen tot mijn oor?

Zeg mij toch, wat kan 't wezen?

Is 't een vogel, dien ik hoor?

------

Leg uw hoofdje maar weer neder,

Kind! Wat zou het kunnen zijn?

Morgen, o dan speelt gij weder,

Morgen, zult gij beter zijn.

------

Moederlief! Wie plukt die bloemen?

En ziet mij zoo vriendlijk aan?

Zonder eene bloem te knakken,

Schijnt hij zwevend voort te gaan.

-------

Kind wat praat gok toch van bloemen?

't Is niets anders dan een droom,

Wil ik bloemen voor u plukken?

Appels van den schoonste boom?

--------

O, Als gij die wilde halen!

En mij geven, vóór ik sliep,

Moederlief, wie kan dat wezen?

Die daar zacht "Maria"riep?

------

Moederlief, ach mijnen oogen!

Ik word blind van al die glans

Moeder, o, wat schoonen kinderen

Ieder met een bloemenkrans.

------

Moogt ik met die kinderen spelen!

Zij zien mij zoo vriendlijk aan,

O, ik zie het, ja zij wenken,

Moeder, mag ik met hen gaan?

------

En de Engel des doods had haar wangen gekust,

En hij reikte haar vriendlijk de hand,

En hij ging naar die plaats van eeuwige rust,

Naar dat beter en schoonen land

-------

En dáár, waar een eeuwige lente haar wacht,

Daar bracht hij die plant van beneen,

En dáár zal zij bloeien met luister en pracht,

Zooals hier op aarde niet een.

-----

O gij, die op aarde aan 't leven u bindt,

En daarin uw zaligheid vindt,

Eens roept gij, door jaren in zorgen vermoeid,

O, Was ik dat stervende kind.

--------

Ter herinnering aan Uwe u Liefhebbende zuster Christine

-----

's Heerenberg, 11 April 1868

 

Lieven en leven

 

Leven is lieven, en lieven is leven;

Zooveel wordt ieder van 't leven gegeven,

Zooveel als liefde zijn aardren doorstroom;

Hij wordt geboren, die aanvangt te minnen,

Lievend ontwaken de sluimerende zinnen;

Hij die niet lieft, is gestorven of droomt.

---------

Leven is lieven, en lieven is leven;

Liefdeloos worden is krank zijn en sneren,

Liefdeloos zijn in de dood, is het graf;

Heder te leven, is weder te minnen,

Dringt weer de liefde de grafspelonk binnen,

Straks rolt de zerk van de groeve weer af.

--------

Liefde doorwarmt ons, en liefde bezielt ons,

Liefde formeerde ons, en liefde behield ons,

Liefde verzoende ons, met liefde, met God,

Liefde geeft adem, bewustzijn en kracht,

Smachten in liefde, den door liefde genot.

Abraham des Amorie van der Hoeven jr. 1821-1848 

 

 

Uwe U liefhebbende Jaboba Kuil van Stampwijk

-----

's Heerenberg 27 April 1868

Heer!!

Heer! Schenk heldere gedachten

Aan mijn vaak bewolkten geest,

'k Mag dat van uw almacht wachten

Doch van uw liefde het meest.

Leer mij dagen te verdragen,

Die als nachten donker zijn;

Niet dan hinderlijk te klagen,

Onder rampen, angst of pijn,

Gij kunt alle stormen stillen,

Ook de stormen des gemoed.

Altijd Uwen wil te willen,

Maakt ons wijs en goed.

Zóó het lijden, zóó te krijgen

Zóó naar Jezus woord gezind

Zóó in zwakheid kracht te verkrijgen,

Leer dat aan uw eigen kind.

--------

Gebed van Tasater

's Heerenberg 29 April 1868

------

J.M.S.Krul van Stompwijk

Levenslust

Levenslust is 't ware leven,

Is het liefdelijkste goed

Dat de lachende aard kan geven

Van haar weelde en overvloed.

't Is geen trek der dwaze zinnen

't Jonge leven te beminnen;

Levenslust is levenskracht;

Levenslust is vrolijk strijden,

Hopend en geduldig lijden

Is een kinderlijk verblijden

Dat den Hemel tegenlacht

Maar om 't leven wel te smaken,

Dient daar nog een hooger gloed

In de vrome borst te blaken.

Vaste, kalme stervensmoed!

Wie geen moed heeft om te sterven,

Zal den moed tot leven derven;

Steeds gaapt de afgrond aan zijn voet

Om langs rozen te leiden,

Om mijn leger zacht te spreiden,

Als dit minnend hart moet scheiden,

Geef o God! Geef mij die beiden;

Levenslust en stervensmoed.

-----

's Heerenberg 24 Juny 1868

Uwe liefhebbende moeder G.A.Kouwenberg Hallegraeff

Het droomende kind

De vogels doen hun nachtegaal hooren;

Op zilveren wolkjes slaapt de maan;

Ook moeders lust, de jongstgeboren,

Is in zijn wieg te rust gegaan

-----

Al droomend vouwt het vriendlijk wichtjen

De kleine, reine handjes saam;

Een glimlach speelt op 't aangezichtjen

Zijn lipjes fluisteren Jezus naam.

--------

Waar droomt hij van? Van 't Zalig Eden.

Der onschuld, dat voor ons verdween,

Gods Engelen dalen naar beneden

En blikken door het venster heen.

-------

Ter herinnering aan Uwe liefhebbende

Georgine Beker

-----

Arnhem, 27 September 1868

 

Een rots, door J.P.Heije

Een rots in 't hart der zee

Die hoe de branding slaat,

Onwrikbaar tegenslaat

Zoo zij uw hart in 't kwaad!

------

Eens effent  zich de zee

Eens wijkt  gevaar en ''dood'

En 't loon der deugd is groot

In leven of in dood!

------

Arnhem 2 November 1868

-----

Ter herinnering aan Uwe u liefhebbende Dien Snijder

 

Drie Engelen

Drie engelen doorweven

Dit vluchtige leven

Met hemelsche snoeren,

Die opwaarts ons voeren.

------

Waar de aarde ons omstrikt met een wereldschen band

Daar reikt een dier Engelen ons reddend de hand

Daar schraagt hij zoo machtig uw omklemden voet

En spreekt hij zoo trouw tot het weiflen gemoed,

Dat niemand de heerlijk  kroon u ontroov.!

"Volhard in 't Geloof!"

--------

Waar het eenzaam hart zoo verlaten zich voelt,

Als zelfzucht gedurig de liefde verkoelt,

Daar heiligt een engel tot hooger verbond

De zielen, die minnen in diepere grond,

En pleit: hoe de koelheid der wereld u griev.

"Volhard - en heb Lief!"

--------

Waar het vriendlijk licht aan uw hemel verdwijnt

De geurigste bloem voor uw voeten verkwijnt,

Als God u beproeft,

En 't hart u bedroeft,

Dan staat op de plek waar uw bloemke verdween

Dan straalt uit de bomen, waar uw sterre verscheen,

Een Engel der Hoop die uw toekomst verlicht

En 't moe geweend oog naar den hemel weer richt;

Hij fluistert: "Die smarte

Was noodig voor 't harte

"Zij adelt uw liefde en geloof door haar doop

"Volhard in de hoop!"

E.van Calcar

Arnhem, 31 Januari 1869

Ter herinnering aan Uwe U hartelijk liefh. Nancy

 

Liefde

 

Wat is liefde tot elkander

Als het hart voor God niet gloeit;

't Is een vlierstruik zonder geuren,

Boom, waaraan geen blaadje groeit;

't Is lente zonder zachtheid,

Zonder tonen, zacht en zoet,

Die tot eer des grooten Scheppers,

't Vlooienkoor ons hooren doet.

't Is een zee, maar die geen parelen

In zijn diepste diepte heeft;

't Is gelijk een zomerhemel

Waaraan geen ster haar schijnsel geeft.

't Is een gloed slechts schijnbaar koesterend

Die ons ras verteren zal.

Daarom heb mij lief, mijn dierbaren

Maar heb God lief bovenal.

--------

Ter gedachtenis aan

Uwe hartelijk liefhebbende

Anna Kamie

 

Weerzien

Schel en windslen afgeslagen,

Zweefde een vlinder in de lucht;

Door de Zefirs omgedragen

Dreef hij over bloem en hagen

Zalig in zijn vrije vlucht

-------

En een rups, die nog daareven

Met en naast hem kroop langs d'aard,

Zag verbaasd die wondre vaart,

Vontelde om hem na te zweven,

Maar gekluisterd in de schel,

Zwierf zij zonder metgezel

-------

Doch, bij het volgend ochtend dagen,

Zie! daar woelt zij ook zich los;

Klapwiekt over veld en bosch,

Ook de windslen afgeslagen,

En gekleed in schooner dos.

---------

En in 't fladderend opwaarts stijgen,

Zien ze alkanders eensklaps weer,

En, zich parende als weleer,

Strijken ze op dezelfde twijgen,

In denzelfden lusthof neer.

--------

Zullen we ook,  der schors onmogen,

Dierbren ons vooruit gesneld!

Eens in 't zalig zieleveld.

Wapperend u ter zij gevlogen,

U herzien en herkennen mogen,

Hemel, Hemel! Zij het waar!

H.Tollens, 20 Maart 1869

-----

Uwe U liefhebbende Wilhelmine van Slee

 

De Handdruk

O, Tintel''  uw hart in den druk van uw hand:

Ik dank voor een vinger, twee, drie!

Ik walg van een kneepjen, koket en pedant,

Een pink van een man van genie..........

Een vrindlief, uw bevend, klevende hand

Is waarlijk mijn antipathie!

-------

Eerst ge de hand, die dem hoveling speelt;

Beleefd; verneedrende hand!

Verdorre de hand, die verradelijk streelt:

'k Voel liever een klaauw of een tand!

Den handdruk die louter, een  "geenstjen"verbleekt,

Dien wijs ik bepaald van de hand!

------

Ik weiger uw handtjen zoo keurig en teer,

Mij angstig huiverend geboon!

Ik vraag u geen handschoen : ik weiger die eer,

Al waart gij Jourin in persoon!

Uw harige rechte, mijn Bello! zegt meer,

Dan 't pootjen zoo keurig en schoon!

--------

Een hand zonder zenuw of leven en kracht;

Het's onzin., 't is laster, verraad!

Een ledige form, dien de liefde veracht

--------

De vriendschap, de geestdrift versmaadt!

De hand, die mij treft, die 's mijn lijden verzacht,

Die hand zij een druk, zij een daad!

------

Neen, 'k vraag u geen woorden, geen ijdel verhaal,

Uw hand zij mij tolk van uw hart!

Uw handdruk mijn vriend, zij welsprekende taal,

\Bij weerzien en blijdschap en smart!

Ja, teder en trouw of veerkrachtig als staal....

U hand zij de tolk van uw hart!

-----

Een hand zij een pand van een hartlijk gemoed,

Waarachtige troost in den rouw!

Gastvrijheid, uw welkom, uw zegen, uw groet,

Het zegel der liefde, der trouw.

En ...'t kusjen te met zij verleidende zoet,

Uw handdruk zij heilig, o vrouw!

P.A.de Genestet (1829-1861)

--------

Ter herinnering aan Uwe u liefhebbende J.E.Freut

-------

Arnhem, 22 Maart 1869

 

 

Album

Weggedorde en weggeteerde blaren,

Bloemckens van geur en kleur beroofd;

Blonde, bruine, zwarte, zijden haren

Lokken van zoo menig dierbaar hoofd,

Verzen van verliefde dichtersnaren,

Zot nonsense onzer kinderjaren,

Rozestrikken, door den tijd verdoofd;

Woordtjens, ach zoo geurig eens - nog teder,

Die mij aarde en hemel hebt beloofd,

Plechtige eeden van een kraaienveder,

Ach, hoe mocht ik eertijds urenlang,

Paradijs van bloemen en gezang

Bij den schat van uw satijnen bladen,

't Peinzend hoofd in liefde en weelde baden.

U bescheen der Hope stralenglans

't Dwepend hart mocht van uw geur zich laven

Ach: een aaklig kerkhof zijt ge thans;

Bij elk dorrend bloempjen van uw krans

Ligt een liefde, een vreugd, een droom begraven

  

P.A.de Genestet (1829-1861)

--------

Ter herinnering aan Uwe u liefhebbende J.T. de Jong

------

Arnhem den 22 Maart 1869

 

 

 

Leeuwerik en Nachtegaal

De leeuwerik stijgt op in de blauwende lucht,

En zint er een morgen uur lang,

Maar spoedig weer daalt zijn kortstondige vlucht,

En 's avonds verstomt zijn gezang.

Doch als de stemmen van 't woud zijn vergaan,

En niemand een lied meer verwacht,

Dan hoort gij in 't eenzaam de Nachtegaal slaan.

Dit zingt heel den duisteren nacht.

-----

't Zegt weinig of 't hart in zijn zonnige jeugd,

Den God der weldadigheid looft,

Als de ernst van het leven na vluchtige vreugd,

Den vuurgloed der geestdrift verdooft.

Gezegend de ziel, die verstomt noch bezwijkt,

Ook dan, als de rouw haar omringt,

Maar midden in 't lijden, den vogel gelijkt,

Die in 't donker het heerlijkste zingt.

-----

J.J.ten Kate (1819-1889)

.

Uwe U liefhebbende Alide

---

's Heerenberg, 28 Januari 1871