Versjes   Poesiealbum     Theodora  1868  (3)

 

Morgen

Wat is het een buiieg weer vandaag.

De zon was even doorgebroken,

Nu is de wind weer opgestoken......

Hoor, hoor! daar plast een regenvlaag,

'k Had mij  van ochtend bij 't ontwaken

Met hoop op heerlijk weer gestreeld!

Men kan toch nooit er staat op maken;

Zie daar des levens zinnebeeld.

-----

De dag liep af in lief en leed;

De schemer pakt reeds om ons heen;

De zon is weer in zee verdwenen

En de avond valt, zoo eer men 't weet.

Het suffend hoofd hangt neergebogen

Vedrmoeid van zorgen, klein en groot.

De nacht is daar: wij sluiten d'oogen......

Dat is de beeldtenis van den dood.

--------

En morgen?....... Als 't weer morgen slaat,

Zel 't kalm en stil of stormig wezen?

Wie kan in 't nachtelijk duister lezen

Wat in 't gesloten dagboek staat?

't Is blindlings tasten naar 't verborgen,

Door vrees gejaagd, door hoop gevleid:

Gesluierd is de dag van morgen......

Zie daar het beeld van de eeuwigheid.

--------

Maar is het floers eens afgelicht,

Ons in den doolhof omgeslagen,

Zal dan de blijde morgen dagen,

Hier scheem'rend als een droomgezicht?

Zal storm em bui zij afgedreven

En vrees, en zorg en zielsverdriet?

Is 't eindlijk rust in 't volgend leven?

Wee reikt dan naar den morgen niet?

door H.Tollens Czn. (1780-1856)

---------

Uwe u zoo liefhebbende

Helena van de Velde

Vooruit

Vooruit! is de leuze van 't leven,

Wie keert, wie vertoefd vindt den dood

Vooruit! volg de luchtwolk in 't zweven,

Al droeg zij d' orkaan in den schoot!

-----

Vaart henen, rooskleurige droomen,

Gesponnen van 't ziekelijk brein!

Elke ader moet tintelen en stroomen,

De blik zij blijmoedig en rein!

-------

Door liefde ter waarheid geprikkeld,

Door liefde ter schoonheid getemd,

De krachten des geesten ontwikkeld!

Het zwaard en den veder omklemd!

-----

De man is tot strijden geschapen

Hij vormt zich de baan waar hij treedt,

De krans, die ons bloeit om zijn slapen,

Groeit op uit zijn bloed en zijn zweet.

-------

Dioe vruchtbaar wil werken en sterven,

Houdt biddend den hemel in 't oog!

Vooruit! is de leuze van 't  leven:

Vreemd gaat de weg naar omhoog!

-------

Arnhem, 23 Maart 1869------

Ter herinnering aan Uwe U zoo hartelijk liefhebbende Jenny Nijman

 

 

Naar de Natuur

Ik zie een graf gedolven

Op 't kerkhof te Bloemendaal;

De lijkbaar staat te wachten

Vlak bij het kerkportaal.

--

De schooljeugd - het is vakantie,

Iets zeldzaams in de week,

Maar Medester is uitgevlogen

In 't zwart, met een groote steek.-

--

Zij komen, nieuwsgierig, en kijken

En keuvelen met elkaar.

Zij klimmen op 't hek van het kerkhof

En duikelen over de baar.

----

Zij peilen den gapenden grafkuil

Met onbezorgden zin,

De een zegt: Het is een diepert!

En de ander: Durf jij er in ?

----

Een derde neemt een vuistvol

Van 't opgedolven zand,

En laat het als een fonteintjen

Weer vloeien uit zijn habd.

---

Nu gaan ze krijgertjen spelen

Rondom het open graf;

Ook ranselen twee vechtersbazen

Elkander eens eventjes af.

-----

Maar Teunis zit met Klaartjen

Al op den grafkuilrand,

Naar 't schijnt een deuntjen te vrijen

Op kinderlijken trant

---

Zij spelen - in verwachting

Van 't geen er komen zal;

Daar wordt er een begraven,

Dat is een aardig geval!

------

Zij spelen - daar nadert langzaam,

De Staatsie het wachtend graf......

Zij steken de hoofden te samen,

En nemen de petjes af.

 

Ter herinnering aan Uwe U

 innig liefhebbende Wilhelmina de Bruin-Ouboter

Geduld

 

Een stille, groote deugd, die de engelen u benijden

De vrucht van 't rijk geloof, een sieraad van den geest

Een reine lelie in de doornenkroon van 't lijden

't Geheimnisvolle kruid, dat iedere wond geneest!

Een stille psalm der ziel beproefd..... en trouw bevonden;

't Welluidenste gebed en 't zalig Vaderhuis;

Als Magdalena's liefde, een losprijs veler zonden,

Een glans van 't Kristlijk hoop, als blonk om Jezus kruis.

----

Uwe U zoo liefhebbende Cateau Poortman

Een kruis met rozen

Een kruis met rozen

Is 't menschen lot;

Is 't rijke leven,

Uw gaven, o God!

--

Niet enkel rozen,

Geen kruis alleen;

De liefde voegt ze

Getrouw bijeen.

--

Ik weet, de rozen,

Zij vallen af!

Het kruis nu. legt ge

Pas neér - aan 't graf

--

Toch - welk'uw gaarde

En treure uw kruis-

Merk op de bloemen

Die blijft aan 't kruis

--

Een kweek nog dankbaar

De kleinste knop,

En neem met liefde

Uw last weér op!

--

De bloem lacht u,

O lach haar toe!

En vloek het kruis

Nooit, levensmoe.

--

Moog elke bloem

Der aard vergaan,

De vrucht des levens

Die rijpt er aan.

--

Uwe U liefhebbende Henriette van Oorde

---

Arnhem, 7 April 1869

 

Vriendschap

Daar tiert un 's levens milde gaard

Een bloem op tengeren steel,

En als de stormwind 't plantje spaart,

Dan kan het bijster veel.

't Beste balsem, voedsel. 't biedt gennot,

't Vraagt naar gevaar noch levenslot.

Wanneer het op uw weg mag bloeien.

Dat bloempje, dat zich VRIENDSCHAP noemt,

Ziet aan haar zij veel struiken groeien

Wier tal zich op haar deugd beroemt.

Maar zijt ge een kenner in uw gaard,

Dan houdt ge 't echte soort in waarde;

Het wast bij voorkeur onbespied,

En overvloedig wast het niet.

---

Ter herinnering aan

 Uwe U liefhebbende Alida v.d. Berg

---

Arnhem, 25 April 1869

 

Drie paren en één

Gij hebt twee ooren - maar één mond,

Dat, vriend! zij u een teken,

Om veel te hooren en niet veel

TE SPREKEN!

--

Gij hebt twee oogen - maar één mond,

Bednek dat, u ten zegen:

Veel moet gij zien en zeer veel dient

GEZWEGEN!

--

Gij hebt twee handen - maar één mond,

Den zin hoort gij te weten:

Twee zijn er voor het werk, maar één

OM TER ETEN!

---

Ik hoop, dat het copieren dezer weinige dichtregelen,

die zoo geheel en al de uitdrukking mijner eigene gedachten zijn,

u niet afschrikken, beste Dora, van nadere kennismaking

 met Uwe u reeds liefhebbende Johanna Daverveld

--

's Heerenberg, 6 September 1869

Uw wil geschiede

Vader dat uw wil geschiede

Ach de mijne is vaak verkeerd.

'k Heb in voorspoed en in lijden

Oder vallen en in strijden

Al te dikwijls dit geleerd.

---

Vader dat uw wil geschiede

O, als ik dit eertijds bad,

Bad mijn ijdel hart niet mede

'l Deed slechts met de mond die bede,

Die 'k niet overwogen had.

---

Vader dat uw wil geschiede

'k Weet het bij ervarenis

Om een kranke te genezen

Moet vaak 't middel pijnlijk wezen

Als de kwaal verouderd is.

---

Vader, dat uw wil geschiede

Bid ik thans met heel mijn  hart;

Schijn kan mij niet meer bekoren

't Spinrag scheurde, dat tevoren

M'in zijn draden hield verward.

----

Vader, dat uw wil geschiede

Neen, Neem al wat u behaagt,

Geef al wat gij mij wilt geven,

Troost of lijden, dood of leven,

Een een harte dat niet klaagt

----

Vader, dat uw wil geschiede

Amen! Vader 'k ben bereid

'k Wil voortaan niets doen of wagen

Dan uw godlijk welbehagen

Amen! in alle eeuwigheid!

---

Ter herinnering aan Uwe U zoo toegenegene Betsy

---

's Heerenberg, 15 October 1869

Vergankelijkheid

Alles sterft; - wat aardsch was in ons leven,

Vind ook hier zijn grafzerk eens op aard.

Waar vergankelijkheid op staat geschreven,

't Liefst en 't schoonst en 't best wordt niet gespaard.

----

Aardsche vreugd vergaat en wordt vergeten,

Aardsche liefdegloed wordt uitgedoofd,

Aardsche banden worden losgereten;

Aardsche schoonheid van haar glans beroofd.

----

O! Hij zal u nimmer meer begeren!

Blijf bij Hem, Die eeuwig is en blijft!

Die, als Gij u aan Hem hebt gegegven.

Ook uw naam in 't Boek des levens schrijft.

----

's Heerenberg 3 Janiari 1870

---

Uw U innig liefhebbende Vader

R.K,Kouwenberg

Zang

Jeugd en vreugd en liefde, kind,

Zijn drie korte lentedagen

Eer ze vlieden, hoe ze klagen.......

Daarom wees wijs en geniet ze gezwind!

Hartje wees wijs en geniet ze gezwind!

Staat uw plagen, schep behagen

In de schoone lentedagen

Wees jong, heb lief, wees vrolijk, kind

---

naar Kückert gecopieerd door Uwe U

hartelijke liefhebbende Johanna Rooloeff

-----

13 October 1870

 

Deugd

Vlam der Godheid heet de wijding,

Die verheven zielen treft;

En het stoute zelfbevrijding

Iedere kracht Der Ziel verheft.

---

Dreigen, woeden alle magten,

Is het ebbe of is het vloed;

Deugd heeft licht in donkere nachten;

Deugd steunt op haar godenmoed.

----

Wie, in zulk, een hoogheid troonend;

Zich als redder aan wil bien;

En, in D'eigen hemel wonend,

Naar geen 'andren om wil zien.

----

O, Die ziet zich niet omgeven

Door verganklijk toevalslicht;

Neen, Die Vrije draagt het leven

Draagt in zich het Godsgerigt.

----

Vallen kan hij, hij kan sterven;

Vloeken kan men zelfs zijne asch;

Doch zijn kroon zal hij verwerven,

Wezen zal hij, die hij was.

----

Burger van het Rijk Der Geesten;

Deelgenoot der Engelenvreugd;

Gast Der hoogere vredesfeesten;

Heerscher in het Rijk Der Deugd!

-----

Laat De wereld dan verdrukken;

Door verdrukking rijpt De Kracht;

Sprong de wereld ook in stukken-

Wijs is hij, Die 't ziet en lacht!

-----

Schandlijk zou het zijn te beven,

Ook voor 't woedenst stroomgeklots;

Want er is onsterflijk leven;

Want er is een Hemel Gods!

----

URANIA

---

's Heerenberg 5 Februari 1870

--

Ter herinnering aan uwe U toegenegene

Julie Roding

Drie bloemen

Wat wijst de roos ons?Stil geluk

Haar doornen? S'levens smarte.

't Viooltje? 't Wijst ons hoe ge in druk

Slechts kent het edel harte.

Terwijl het zacht vergeet mij niet,

Door 't Blauw dat ge in haar kelkjen ziet

Ons toont dat Vriendschap zij alleen

Ons voert naar beter oorden heên.

--------

's Heerenberg, 28 January 1871

------

Uwe u zoo hartelijk liefhebbende

Thérése

Niet voor de Menschen:

 Matth.  VI.16

I

Voor de menschen klaag uw leed

Niet, te luide, niet te lange,

Niet te bange:

Meest vertooning scheurt haar kleed.

Dronk niet met geleden smarte;

Stilte is tolk van 't diep gemoed,

Meer dan wanhoop's tranenvloed.

De eedle ziel bij 't heilil lijden,

Heeft haar fierheid, vreest der schaar

Oppervlakkig treurgebaar,

Als den troost der ongewijden;

Wat voor allen, niet voor háár!

Moge een traan het oog ontglijden,

Echte droefheid, bleek maar schoon,

Draagt heur wonden niet ten toon.

Doch de nachtwacht ziet haar strijden

Doch háár Trooster kent haar rouw,

En die zij beweent haar trouw!

II

Kunt gij 't overvloeiend hart

Niet beheerschen? 't Juk der smart.

't Heilig kruis niet stille dragen?

Moet ge luide nu jammer klagen,

Handenwringend, Waarom vragen?

Uitkomst zoeken in geween?

Ga beproefde,

Zielsbedroefde,

Ga ook - in den hof alléén!

Niet voor allen slaak uw klachte;

Voor den Kenner der Gedachte,

Voor den Hoorder uw gebeên,

Stoot uw ziele uit klaag en ween!

Ween en bid! en 's Heeren vrede,

Plicht en kracht

Op uw tranen, op uw bede,

Zullen dalen in uw nacht.

Straks, o gij van God verkwikke!

Zalf uw hoofde'en beur 't omhoog,

Wisch de tranen uit het oog,

Dat deb Hemel tegenblikke!

Toon ons geen mismaakt gelaat;

Laat ons in uw kalme trekken,

Van den rouw die niet vergaat,

Dieper 't echte spoor ontdekken!

Eenvouw, waarheid in de smart,

Tuige ons de adel van uw hart

P.A. de Genestet (1829-1861)

------

Ter herinnering aan Uwe U zeer liefhebbende

G.Volmer Knollaert

------

's Heerenberg, 18 Februari 1871

Een Baken op Zee

Niet altijd golft de levensstroom,

Zoo kabbelend rustig voort,

Gelijk een schoonen zomerdroom,

Door wee noch smart verstoort.

Niet altijd schijnt de hemel blauw

Bestraalt door zonnegloed,-

Soms brengt hij met een ak'lig grauw,

Wanneer de noodstroom woedt.

----

Dan wordt  het duister op ons pad,

En kookt  en woelt die zee;

En wat zij in haar kaken vat,

Dat sleurt zij met zich meê.

Dan wordt er heel wat moed gevraagd,

Om rustig pal te staan,

En moet er niet alleen geklaagd

"Help Vader, wij vergaan!"

----

Dan moet op zee en wind gelet

En krachtig 't roer gewend-

Dan is het schoonst en ';t ernst gebed

Dat elk zijn plichten kent.

En wie 't geloof de ziel versterkt;

Mijn God - strijdt met mij meê!

Die heeft een heilsman op zijn werk,

Een baken op de Zee

F.H.van Leent (1830-1912)

 

Ter herinnering aan Uwe u zeer toegenegene

Hermance

------

's Heerenberg, 1 Augustus 1871