Versjes Poesiealbum Theodora 1868 (1)
Zachtheid
Schoonste deugd den schoone zielen,
Liefste trek in 't lief gelaat!
Mannentrots en hartstocht, knielen
Waar ge uw vriend'lijke oogen slaat.
Zachtheid is de kracht der zwakken,
Is haar scepter en haar zwaard,
Beeft en buigt - en blijft gespaard!
-----------
Zachtheid zal den dwingland leiden:
In het heiligdom den trouw,
Heersch onmerkbaar en bescheiden!
De Almagt van de Stille Vrouw!
Haar gebod ruischt als een bede,
En haar wenken is gebod,
Voor haar voeten daar uit het vrede,
En haar Zonen zegent GOD!
--------
Denk bij het doorbladeren van dit boek aan uwe oprecht toegenegenen G.Volmer
's Heerenberg 16 January 1868

Waarom!!
Hoe treurt de teedre Moeder
En schreit zich den oogen blind
Haar zuigling is gestorven,
Haar kind, haar eenig kind!
Zij heeft zoo lang gebeden,
Toen het kinderlijden klom;
God heeft het toch genomen,
Zij snikt in rouw: "Waarom?"
----------
Ginds knielt een jeudid meisje
Bij 't pas ontsloten graf.
Het mist een teedre moeder,
Die niets dan liefde gaf,
Het kind weent bitter tranen,
Bij 't doffe klokgebrom,
't Ziet blijde speelgnooten,
En stamelt droef; "Waarom?"
-------
Daar kwijnt een arme weduw:
Helaas! Zij heeft geen brood
Voor 't kroost, dat schreeuwt van honger,
Hoe dreigend klimt haar nood!
Ginds rijdt een trotsche rijke,
Doch ziet naar niemand om,
Bij hem het goud in stroomen,
Bij haar gebrek; "Waarom?"
-----------
Hier ligt een kranke jongeling,
Die van zijn kindschheid lijdt,
Hoe hijgt hij naar den grafkuil
Als 't einde van den strijd.
Hij telt nauw twintig zomers,
Reeds buigt zijn ruf zich krom,
Hij ziet zijn sterke broeder,
En fluistert: "God! Waarom?"
----------
Zoo weent de droeve moeder,
Zoo 't van verlaten kind;
Zoo jammert d'arme weduw,
Die nergens liefde vindt;
Zoo zucht de zwakke lijder,
Schoon God hem niet verlaat,
Daar elk den rijksbedeelde
Met afgunst gadeslaat.
--------
Zij blikken morrend, twijf'lend
In 't God'lijk raadsbesluit
En vorschen stout de wegen
Des Albestuurders uit.
Doch ijdel in hun fragen,
De nacht van 't lot is stom,
Maar d'eindloosheid der Heem'len
Roept ook hun toe : "Waarom?"
-----------
Niet morren, maar gelooven
Betaamt den sterveling,
Die 't onvergank'lijk leven
Van 's Heeren gunst ontving.
Hij, wiens geloof door lijden
In kracht en waarde klom,
Die bidden leerde en hoopen
Vraagt niet aan God; "Waarom?"
--------
Gecopieerd door Uwe U liefhebbende zuster Betsie
's Heerenberg 2 Februari 1868

Vergeet Mij Niet
Vergeet mij niet: zoo heet het bloempje
Dat bij de heldre beekjes groeit,
En door het zachte mos beschaduwd,
Op eenen lagen stengel bloeit.
Vergeten worden roos en anjer,
Wanneer de korte zomer vliedt;
Maar 't zedig bloempje schoon ontbladerd,
Leeft in het hart; Vergeet men niet.
-----------
'"k Vergeet u niet", Zoo spreken vrienden,
Bij d' ongeveinsden handendruk;
Die een blijft heilig, ook al streelt er
Geen enkel lachje van geluk.
Het bitter moog' hen begrimmen,
Die knaap is voor geen druk te vast;
't Zijn telgen tot één stam verenigd,
Die op den zelfde wortel wast.
-----------
't Vergeet mij niet, is 't eerste bloempje,
Dat aan zijn dierbare een jongeling biedt;
En plaatst zij het bloozend aan haar boezem,
't Luidt in haar taal: Ïk vergeet u niet" .
Wodt eens die zoete band verbroken,
Dan plant de liefde 't bloempje op 't graf;
En eerst wanneer daar beiden sluim'ren,
Valt ook het laatste blaadje af.
---------
Vergeten kan geen moeder 't wichtje,
Dat haar de liefd' rijke Almacht schonk;
't Blijft in het bloedend harte leven,
Schoon het ook den dood in dármen lonk;
En van daar boven fluistert zachtkens
En stem als hemelmelodie,
"In eeuwigheid blijf je onvergeetlijk,
Een onafscheidlijk deel van mij".
-------------
Vergeten, o ontslapen magen!
Vergeten vrienden! Wordt gij niet:
Nieuw bij 't herleven van de lente,
Wijdt u zijn hart dit treurig lied.
Ik zoek u bij de bloemfestoenen,
Ik zoek u bij den veldenpracht:
Ik verf u ........ alles is verdwenen
En in zijn boezem heerscht de nacht
--------------
De nacht! o, neen , het is verkwikkend,
Het is mij welkom, 't vrolijk uur;
De hoop heft mij op haar vlinderwieken,
Bij ontwaken der natuur,
Slechts hoop! neen zalige overtuiging
Giet balsem in mijn diepste wond:
Zoo dierb'ren, zult ook gij herleven,
Lacht eens de schoonste morgenstond.
----------
Vergeet mij niet, o vriendlijk boempje!
Niet op het veld alleen bloeit gij:
Ik kweek u in mijn warmen boezem,
Want zielbehoefte zijt gij mij!
O, wat dan ook, gescheurd van 't harte,
Den liefhebbende arm ontvlood:
Heb dank, herinnering : uw vermogen,
Uw troost is sterker dan de dood!
---------
Van Uw liefhebbende broeder Henri
's Heerenberg, 9 Maart 1868

Liefde
Die ik het meest heb liefgehad
't Was niet de slanke Bruid wie 'k in 't zoeter leven
Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven
Wie hand mij leidde op 't Rozenpad.
--------
Het was niet de jong en teed're vrouw,
Die, goede genius, mijn hart bewaakte,
Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte, trouw!
Met al den rijkdom harer.
--------
Zoo was 't de moeder van uw lroost
Die u gelukkige, van 't offer en veler smart,
Deed smaken, onvermengd het reinst geluk van 't harte,
Des levens liefelijkste troost?
-------
Neen! - die ik 't meest heb liefgehad,
Dat was mijn kranke; 't was de
moede, de uitgeleerde,
Van wie ik leven leidde en hopend sterven leerde,
Toen 'k weenend aan haar sponde zat.
-----

P.A.de Genestet (1829-1861)
---
Als eene gedachtenis aan uwer zooliefhebbende
Charlotte Rochnegen

Levenslust
Levenslust is 't ware leven.
Is het liefelijkste goed,
Dat de lachende aard kan geven
Van haar weelde in overvloed,
't Is geen trek der dwaze zinnen
't Jonge leven te beminnen:
Levenslust is levenskracht;
Levenslust is vrolijk strijden,
Hopend en geduldig lijden-
Is een kinderlijk verblijden,
Dat den Hemel tegenlacht.
------
Maar van 't leven wel te smaken,
Dient daar nog een hooger gloed.
In de vrome borst
:
Vaste, kalme stervensmoed!
Wie geen moed heeft om te sterven,
Zal den moed tot leven derven.
----Steeds gaapt de afgrond aan zijn voet,
Om langs 'rozen mij te leiden,
Om mijn leger zacht te spreiden,
Als dit minnend hart moet scheiden,
Geef o God! geef mij die beiden:
"Levenslust en levensmoed".
-------

P.A.de Genestet (1829-1861)
----
Ter herinnering aan
Uwe liefhebbende Elisabeth Schukking
--------
Arnhem 22 Maart 1869

Turksche Beeldspraak
U volgen op uw levenspaden
Twee Engelen, die u gadeslaan,
Ter rechte en linke; beide schoon
En goed, twee milde hemelbloemen
En als ge een eedle daad verricht;
Den zwakke steunt, den arme geeft,
Den lijder troost; dan aanstonds zweeft
Die wachter aan uw rechte; en grift,
In heilig schrift,
Het werk uwer Liefde, met danken genot,
In 't Boek des Gerichts voor den troon van zijn God
------
Doch als gij haat'lijk onrecht pleegt,
Als booze drift uw hart beweegt,
Dan weent, van rouw en medelij,
Die Engel aan uw linkerzij.
-----
En leekent op de booze daad,
Het bitter woord; doch hij verlaat
Uw zij nog niet en vaart daarheen,
Maar blijft! Hij rekent op u alléén.
Wat gij misdeed..... en toeft.... en wacht
Tot middernacht
Met stille gebeden, met engelen trouw
Of gij ook uw schuld nog erkent met trouw
-------
En zoo uw hart nog eind' lijk breekt,
En gij voor kwaad vergeving smeekt,
Dan wischt hij de aanklacht terstond,
En hij blijft waken aan uw spond!
Maar sluit gij onboetvaardig 't oog,
Dan buigt hij 't blonde hoofd en staart
U somber aan een poos - en vaart
Op matte vleugelen naar omhoog,
Als die een harden, harden plicht,
Maar nooit verricht.
En dan eerst, de ziele van weemoed vervuld,
In 't Boek van de Toekomst vergeeft hij - uw schuld!
----

P.A. de Genestet (1829-1861)
----
Ter gedachtenis aan uwe u liefhebbende Liese de Graaf

De gebroken roos
Op het jaarfeest van Adéle,
Veertienmaal al reeds gevierd,
Had de moeder meisjes boezem
Met een jonge roos versierd.
't Scheen, dat Flora de edelste gaven
Aan de schoone Adéle bood,
Daar op d'ochtend van haar feestdag
De eerste roos het knopje ontsloot.
Nooit nog had een dartele zefier
Haar geliefkoosd en gestreeld;
Blinkend door het waas der onschuld,
Was ze Adéle's evenbeeld.
't Meisje toonde aan haar gespelen
't Lief geschenk, dat zij ontving;
Ieder ziet het, ieder prijst het,
Noemt haar Flora's gunsteling.
Zoo gestreeld door maagdenhulde
En de knapen zoet gekoos,
Scheen ze zelv' de bloemgodin,
Schoon als de eerste lenteroos.
Vrolijk zwiert ze, luchtig zweeft ze,
Dartlend met het bloempje rond;
Ieder scheen het te bewonderen,
Meer de plaats nog, waar het stond.
't Geurde zoeter, 't kleurde hooger
Op den hagelwitten troon;
Och! verhef u niet mijn bloempje!
Ligt vergankelijk is uw schoon.
Slechts na weinige oogenblikken
Keerde Adéle schreiende weer;
Ach! het sieraad van de bloemen,
't Lieve roosje was niet meer.
Moeder, snikt ze, 'k heb misdreven,
Uw geschenk niet wél bewaard.......
Hier zijn de afgebroken blaadjes,
Door mij uit het stof vergaard.
Laat me 't ongeval verhalen,
Lieve moeder, wees niet boos!
Mij ontmoette een jonge herder,
En hij prees mijn schoonen roos;
En hij wenschte zoo bescheiden,
Dat ik hem het bloempje gaf;
Maar ik zei; "'t Is van mijn moeder!"
Aanstonds liet de herder af.
En hij sprak zoo zoet en teder;
Schoon ik alles niet verstond,
'k Weet nog dat hij mij bekoorlijk,
En zijn liefde waardig vond.
"Hoor - dit was zijn taal - Adéle!
"Hoor, gij zijt der maagden roem;
Op uw koontjes bloeien rozen,
Schooner dan die lentebloem.
Schenk mij één van die roosjes"
O, Hij werd zo vlijend toen......
Stel u in mijn plaats, mijn moeder!
Zeg, ei! zeg, wat zoude ik doen?
'k Dacht ik zou geen kwaad bedrijven,
Als ik de eene wang hem bood;
'k Deed het...... en de stoute herder
Kuste haar als vuur zo rood.
'k Werd toen enigzins verlegen
Over een zoo vreemd bestaan;
'k Zocht zocht zijn kussen afteweren....
Ach! had ik het niet gedaan;
Want het roosje, dat uw liefde
Heden voor mijn 'boezem stak,
Onder 't kussen......onder 't stoeijen.....
Moeder, Ach! dat roosje brak.
Wijt het echter niet den herder,
Moeder, wijt het mij alleen!
'k Heb mij zelv' die ramp berokkend
Door mijne ondachtzaamheên;
Want het bloempje, van uw liefde
Mij een dierbaar onderpand;
Brak....niet door de herders kussen,
Maar door mijnen tegenstand!
----
Wees gerust - zoo sprak de moeder -
Schrei melieve, schrei niet meer!
Flora schenkt ons andre bloempjes,
En u ligt een roosje neêr.
Laat u dit tot leering strekken!
Bloemen zijn verganklijk, broos;
Ook der maagden eer is teeder
En verganklijk als de roos.
Nu omhelsde zijn haar dochter,
In hare oogen blonk een traan.
Vrees niet - zei 't onschuldige meisje -
'k Zal behoedzaam zijn voortaan.
Wil mij weêr een herder kussen,
'k Weet der bloemen bloei is kort,
'k Bied hem liever beide wangen,
Eer mijn roos, gebroken wordt.
----
Uwe U liefhebbende Alexandrine
-----
's Heerenberg, 14 Februari 1870