Naar versjes-menu  

Konings Grenadieren

Marschlied

1.

Wat blinkt daar zoo prachtig, dat 't ieder verheugt?

Wat schrijdt daar zoo fier, met beleid,

Dat 't hart met het oog zich vereent in één vreugd?

Soldaten!  -  Zij trekken ten strijd!

Zij trekken ten krijg, hun officieren vooraan.

En hoort! De muziek heft een krijgsmars thans aan! -

In ieder huisje, groot of klein,

Gluurt een lief meisje door 't gordijn

En ieder roept: "Heil de Banieren!

Vaart allen wel! Zij gaan in 't veld

Zij, 'Konings Grenadieren".

Vaart allen wel! Zij gaan in 't veld

Zij, 'Konings Grenadieren".

 

 

Ernstig

2.

Men hoort nu de trommel. Zij naderen den dood,

Daar stroomt op het slagveld hun bloed!

Daar wordt menig brave getroffen door 't lood;

Wel breekt hem het hart, - niet den moed.

De dappere broeders, nog staan zij alleen,

't Rumoer van 't kanon buldert verre daarheen,

Vurig

Doch eensklaps klinkt het luid "hoera!"

Sta pal, de hulp gemaakt weldra!

Voorwaarts! Heft hoog thans de banieren

De zege is ons, zij staan vooraan

Zij, 's Konings Grenadieren.

De zege is ons, zij staan vooraan

Zij, 's Konings Grenadieren.

 

Zacht en plechtig

3.

De slag is gewonnen, het schemert, 't is nacht,

Het maanlicht heeft blank zich gespreid,

En schijnt op hen neer, die het hebben volbracht,

Thans rusten ze op 't eervolle veld.

Zij liggen in groepen, de rust wel verdiend

De dood bracht hen samen, zoo vijand als vriend,

Maar als 'k op gindse heuvel staar,

Wat ligt daar toch zoo door elkaar?

Het zijn soldaten en officieren,

Zij stierven voor hun Vaderland

Zij, 's Konings Grenadieren.

Zij stierven voor hun Vaderland

Zij, 's Konings Grenadieren.

 

 

 Naar versjes-menu