Naar versjes-menu  

Boerenkrijgszang

Wijze: Chant des zouaves

1.

Kent gij het land, waar store helden wonen,

Wier harten onbevreesd zijn voor den dood,

Die waarheide, recht en vrijheid hoog vereren,

Verdedigen als hun dierbaar kleinood?

Die helden dan, zij hebben onze zeden,

Zij spreken onze schone moedertaal

En hebben steeds met onzen God gestreden,

Voor vrijheid van hun dierbaar land Transvaal.

 

Refrein:

Hoera, hoera, Transvalers voorwaarts nu,

Laat ons attaqueeren

Op dien Engelsman

Hoera, hoera, Transvalers voorwaarts nu.

Hoera, hoera, Transvalers voorwaarts nu.

 

2.

De Boeren grijpen thans naar hunne wapenen,

Verdedigen hun dierbaar stukje grond,

De plek waarop zij eenmaal zijn geboren,

Waar 't voorgeslacht zijn voedsel eens op vond,

En God vertrouwend onder biddend opzien,

Geeft rijk en arm elkaar de broederhand,

Als helden zullen zij te samen strijden,

Voor vrijheid van hun dierbaar vaderland.

 

Refrein:

 

3.

En het commando roept hen fluks ten strijde,

En ouden reeds met 't zilverwitte haar,

En knapen zelfs nog bijna kleine kinderen

Zij vormen éne wakkere krijgerschaar,

De vaan der vrijheid wordt thans hoog geheven,

Ziet hoe zij allen kloek ten strijde gaan,

En overwinnen zullen zij of sterven,

Maar nimmer onder Engelands koning staan.

 

Refrein:

 

4.

Een knaapje overdekt met bloed en wonden

Vecht kranig door nog, als een wakker held,

Maar eensklaps wordt de kloeke brave jongen,

Door 's vijands bajonetten neêrgeveld.

Genade wil men hem dan nog doen zeggen,

Maar hoe of de Engelsman 't ook gebood

Genade? Nooit! zoo sprak de jonge krijger,

Genade? Nooit! neen steek mij liever dood!

 

Refrein:

 

5.

Ach, kinderen, roept een stervende vader,

Een dodelijk gekwetste oude man.

Zult gij Uws vaders dood vooral toch wreken,

Op dien gehate, vuige Engelsman?

Nog éénmaal opent hij de matte ogen

En vuurt voor 't laatst zijn stoere zonen aan:

Gij moet het winnen, of gij moet ook sterven,

Maar nimmer moogt ge onder Engeland staan!