Naar versjes-menu  

Moeders eigen jongen

1.

Wat ben je nog klein

Mijn lieve schat,

En och, wat zie je bleek!

Zo spraak bij zichzelf

Een moedertje droef,

Wijl ze door 't raam naar hem keek.

Daar speelde haar lieveling.

Haar jongen, haar trots.

't Was alles wat zij nog had.

Haar man viel vóór lang

Op het veld van eer,

Wat had zij ook hem liefgehad!

 

Refrein:

Ja, jij bent moeders eigen jongen!

Zo sprak zij met zoeten lach,

Gauw nu die traan teruggedrongen

Opdat haar lieveling die niet zag!

Ja, jij bent moeders eigen jongen,

Blijf toch immer zo braaf en goed!

En mocht het Vaderland je roepen,

Nu, dan ga je - als het moet!

 

2.

Haar jongen werd groter

En op de school

Was hij steeds nummer één.

Toen werd hij CVadet.

Daarna Officier.

Toen waren die twee weêr bijeen.

Doch d'oorlog brak uit

En Frans kreeg bevel:

Houdt U voor 't vertrek gereed!

En al viel 't haar ook zwaar.

Toen 't afscheidsuur sloeg

Sprak moedertje: Denk aan je eed!

 

Refrein

Want al ben je mijn eigen jongen

'k Weet dat 'k je niet houden mag

Gauw dus die traan teruggedrongen

Opdat haar lieveling die niet zag!

Ja, jij blijft moeders eigen jongen,

Het Vaderland heeft je geroepen,

Dus vertrek nu, en houd moed!

 

3.

 

Daar kraag ze bericht

Haar Frans was gewond,

Een held werd haar zoon genoemd.

Nu komt hij weer thuis,

Zo fier nog, zo jong,

Is hij reeds tot nietsdoen gedoemd!

Zo droomt moeder voort

En twijfelt en hoopt

Schreidt zich de ogen moed.

Daar opent de deur zich

En vliegt met eenj snik

De zoon naar zijn moedertje toe.

 

Refrein:

God! ben jij daar? mijn eigen jongen!

Wat liet je me schrikken, vent!

Gauw nu die traan teruggedrongen,

Nu je veilig bij je moeder bent!

Ja, nu heb 'k weer mijn eigen jongen

Die ik nu weer verplegen moet

Wat heb ik vaak om jou geroepen,

Doch nu is weer alles goed!

 

 Naar versjes-menu