Mammie zal komen
1.
Er leefd' een jonge vrouw
Gelukkig met haar man.
Tot plots die wrede dood haar hut betrad.
Toen weende zij in diepe rouw,
Zo slechts een vrouw dat kan,
Wijl 't liefst' op aard' men haar ontnomen had!
Doch eensklaps sprak zij: "Laat ik niet ondankbaar zijn.
Heb ik niet dit engelachtig kind?
't Trouwe beeld zijns vaders, d' ogen zacht en rein,
Ook door hem zo innig steeds bemind".
Koor:
"Slaap nu zacht, gij lieve, kleine jongen,
Doe gerust je blauwe kijkers toe,
Nauw slaapt zo vast, van al uw spelen moe.
Boeman is voorbijgegaan,
Mammie is gekomen, om met jou te dromen
Van een liefdevol bestaan".
2.
Doch 't indje had te veel gespeeld
In kouden noordenwind,
Ofschoon zijn moeder 't hem zo vaak verbood.
De dokter had hem 't hoofd gestreeld
En zei: "Dat arme kind
Heeft zware koorts, het worstelt met den dood".
O,God! bad toen die moeder, spaar mijn jongen toch,
Hij is al wat nog deez' aard mij liet.
En vol angst zong d'arme vrouw het liedje nog
Aan zijn wiegje, alleen met haar verdriet.
Koor:
"Slaap nu zacht, gij lieve, kleine jongen,
Doe gerust je blauwe kijkers toe,
Nauw slaapt zo vast, van al uw spelen moe.
Boeman is voorbijgegaan,
Mammie is gekomen, om met jou te dromen
Van een vreugdevol bestaan".
3.
Drie weken gingen traag voorbij
Vol angst voor d'arme vrouw,
Toen God den kleine jongen tot zich riep;
Droef schaarde zich een lange rij
Voor 't huis van smart en rouw,
Waar thans, voor immer, 't lieve ventje sliep.
En al zijn kleine vriendjes vergezelden hem
Naar de plaats, die eeuwig ruste biedt.
En de voog'len zongen met zachte stem.
Stil.....sprak moeder, stoor mijn liev' ling niet.
Koor:
"Slaap nu zacht, gij lieve, kleine jongen,
Doe gerust je blauwe kijkers toe,
Nauw slaapt zo vast, van al uw spelen moe.
Boeman is voorbijgegaan,
Mammie is gekomen, om met jou te dromen
Van een eeuwig blij bestaan".