Kerstlied
1.
Snerpend
loeit de storm daar buiten
langs de witbesneeuwde aard.
Achter wit bevroren ruiten
zit een elk bij 't knappend vuur der haard.
En de kind'ren zingen blij hun liedjes
om de kerstboom, vol van schitterlicht.
En de schoonste kerksche melodietjes
worden vroom ten hemel steeds gericht.
Refrein
Stille nacht, heilige nacht,
Heden is 't Kerstkind geboren.
Herdekens zacht houden de wacht.
Kindje van Bethlehem, sluimer, slaap zacht.
2.
Bibb'rend loopt er langs de straten
'n arme bedelknaap nog rond.
Al de wegen zijn verlaten,
niemand waagt zich buiten, zelfs geen hond.
Koude sneeuw dringt door z'n lekke klompen,
in z'n holle maag is nat noch droog.
En de gure wind snijdt door z'n lompen,
grote tranen fonkelen in zijn oog.
Refrein:
Stille nacht, heilige nacht,
heden is 't Kerstkind geboren.
Herdekens zacht houden de wacht.
Kindje van Bethlehem, sluimer, slaap zacht.
3.
Hong'rend, uitgeput van 't lijden
Valt hij op een stoep terneer.
En hij hoort de kinders blijde
binnen 't Kerstlied zingen tot den Heer.
Z'n bevroren handjes vroom gevouwen
slaapt hij in en God verhoort hem daar.
Als we 's morgens vroeg 't lijkje aanschouwen,
viert hij 't Kerstfeest in de Eng'lenschaar.
Refrein
Stille nacht, heilige nacht,
heden is 't Kerstkind geboren.
Herdekens zacht houden de wacht.
Kindje van Bethlehem, sluimer, slaap zacht.