Naar versjes-menu  

Het droeve vissersbruidje

1.

Hun harten, zij hadden elkander gevonden,

Zij keken het leven zo lachende in,

Hij was een eenvoudige vissersjongen,

Zij kwam uit een eerlijk, arm vissersgezin.

Nog twee reizen maar en dan zouden zij trouwen,

Toen 't paar die belofte elkander deed,

Zag men slechts de zonnige kant van het leven

En dacht geen van beiden aan 's werelds leed.

En toen hij naar zee ging met tranen in d' ogen,

Zijn bruid voor de onwisse baren verliet,

Stond zij aan het strand en zij fluisterde zachtkens:

"Ik heb je zo lief, ach vergeet mij toch niet!"

 

2.

Na korte tijd kwam hij terug bij z'n bruidje,

De vangst was zo rijk en zo prachtig geweest,

Zij wachtte aan 't strand om hem welkom te heten,

Het zalige weerzien was voor hen een feest.

Nog slechts éne reis, en dan was zij zijn vrouwtje,

Dan deelde hij zijn klein eigen huisje met haar.

Dan zou hij zijn brood aan de wal wel verdienen,

Dan was ie meer thuis en in minder gevaar.

"Vaarwel dus"naar zee, in het zalige weten

Dat hij haar voor 't laatst als verloofde verliet,

De golven, zij droegen de woorden naar 't scheepje:

"Ik heb je zo lief, ach vergeet mij toch niet!"

 

3.

In droevige angst zat de vissersbevolking,

De storm loeid' op zee met ontzettende kracht,

Wanhopige smeekbeden stegen ten hemel

Van vrouwen en moeders in donkere nacht.

Slechts enkelen kwamen terug in het dorpje

En brachten ontzettende tijdingen mee.

Het dorp was gedompeld in rouw en ellende,

Zovelen van hen vonden 't graf in de zee.

Vernietigd door smart gaat aan 't strand nu een meisje,

En 't is of de golven haar zingen een lied

Vol droevige weemoed, en 't is of zijn stem zegt:

"Ik had je zo lief, ach vergeet mij toch niet!"

 

 Naar versjes-menu