De Armsten
1.
Wie kent niet de wezen in 't zondeling kleed,
Wier droevig bestaan men zo dikwijls vergeet.
Ze trekken de aandacht van U en van mij
Al gaan zij ook stil en bedeesd ons voorbij.
Toch treft het mij altijd weer diep in m'n hart
Die kleding half rood en half zwart;
Het doet toch een kinderhart ook pijnlijk aan
Om steeds in zo'n dracht te gaan.
Refrein:
Gij ziet daar lopen in 't rood en in 't zwart,
Gezichtjes zo ernstig en droef is hun hart,
Zij hebben geen vader, ze hebben geen moe
En niemand die dekt hen bij 't bedje gaan toe.
Zij zijn weel de armsten in 's wereld bestaan
Want wie trekt het lot van een weeskind zich aan.
In 't grote gesticht vindt het voortaan z'n thuis
Daar weent het in stilte om 't ouderlijk huis.
2.
Is dat voor het kind niet genoeg nog misschien?
Moet iedereen nog aan z'n klederdracht zien
Dat vader en moeder zo vroeg gingen heen,
Het kind achterbleef zonder geld en alleen,
Dat voortaan liefdadigheid zijn zal een deel?
Bij iedereen is het te veel.
Vergeefs zoekt 't overal nu moeders schoot,
Dat plekje waar 't kindje werd groot.
Refrein:
3.
Er zijn zoveel armen in dez' maatschappij
Maar toch zijn zij altijd nog rijker dan zij.
Al slapen zij 's nachts op een bedje van stro
Ze missen ten slotte de weelde niet zo.
Ze weten het, moeder is steeds om hen heen,
Dat heeft het kind nodig alleen.
Al heeft het bij anderen zelfs meer nog dan thuis,
't Is 't liefste in 't ouderlijk huis.
Refrein: