Naar versjes-menu

Maaiende boer

Sikkels blinken, sikkels klinken

Sikkels klinken, sikkels blinken,
Ruisend valt het graan.
Zie de bindsters garen, zie in lange scharen
Garf bij garven staan, garf bij garven staan.

't Hete branden Op de landen
Meldt den middagtijd.
't Windje, moe van 't zweven, heeft zich schuil begeven,
En nog zwoegt de vlijt, en nog zwoegt de vlijt.

Blijde maaiers, nijv're zaaiers,
Die uw loon ontving.
Zit nu rustig neder, galm' het mastbos  weder,
Als gij juichend zingt, als gij juichend zingt!

Slaat uw ogen,  naar den Hoge,
Alles kwam van daar!
Zachte regen daalde, vriend'lijk zonlicht straalde
Mild op halm en aar, mild op halm en aar.

 Naar versjes-menu