Naar versjes-menu  

Redding van vissers op het ijs

Schoon ook de hoop uw hart begeeft,

Laat, vrienden, laat nimmer varen,

Vertrouw op Hem, die boven leeft,

Wat ramp u angst of schrik moog baren,

Te midden van de woeste zee,

Ja, op een ijsschots voortgedreven,

Brengt Hij u nog op veilge ree,

Wilt dus voor geen gevaren beven.

 

Getuig het, visser, pas gered,

Getuig het, Bort, met bei uw zonen,

Heet niet Gods hand uw dood belet,

Bleef Hij zijn hulpe u niet tonen?

Daar drijft gij heen, in woeste vaart,

Een ijsschots moet een drietal dragen,

En waar uw oog ook somber staart,

Geen licht van troost schijnt op te dagen.

 

Zo gaat het veertien dagen lang,

Nu hier dan daar weer heen gesmeten,

De doodskleur ligt reeds op uw wang,

Gij schijnt van God en mens vergeten,

Enkhuizen ziet uw jammer niet,

Al staart gij op de grijze toren,

De wind, die uit 't Noordwesten schiet,

Zal ras u in de golven smoren.

 

De koude kruipt uw leden in,

De honger knaagt en zal niet mindren,

Nog denkt gij aan uw huisgezin,

Uw lieve vrouw en viertal kindren.

Gij ziet uw zonen wenend aan,

En meer nog dan eigen smarte,

Knaagt 't leed dat zij thans ondergaan,

U aan het minnend vaderharte.

 

Geen redding daagt, de zee staat hol,

De wind giert rond en stuwt de schotsen,

De sneeuwjacht stuift hen de ogen vol,

Terwijl de golven driftig klotsen.

O, zie, daar ginder, ja 't is land!

Maar ach, helaas, wat zal 't hen baten,

't Is Vollenhove's oeverstrand,

Maar 't strand is eenzaam en verlaten.

 

En toch, daar dringt er een vooruit,

O God, hij springt in 't zeegat neder,

'k Wil mensen redden, gilt hij uit,

Hij zinkt en rijst en zinkt al weder.

Toch naakt hij telkens meer en meer,

Bereikt het ijs, beklinmt het wakker,

Herkent den visser van weleer,

En in diens zoon een ouden makker.

 

Een boot, met wakker volk bemand,

Komt door de schotsen langzaam nader,

En voert het drietal naar het strand,

Zowel de zonen als den vader.

Daar pogen liefde en mensenmin,

Hun vreeslijk lijden te vermindren,

Men draagt hen deftig 't raadhuis in,

En zorgt voor hen als eigen kindren.

 

Wij juichen u, o redders, toe;

Uw daad zegt meer dan krijgsvictorie,

Wij brengen vrolijk, blij te moe,

Aan U, Tabois, de hoogste glorie.

Maar boven alles, lof zij God,

Die ook opnieuw hier heeft bewezen,

Dat Hij wil waken voor ons lot,

En aller Vader steeds wil wezen.