Op de brandweer
Brand, brand, schijnt wel 't parool van Amsterdam,
Gelukkig dus dat er een brandweer kwam,
Die, altijd klaar, en vlug dus bij de hand,
Met spuit en kar en menig rappe klant,
Niet wachtend, dat de nood juist ten top
Ter hulpe snelt in vliegend galop. -
En met haar schel ons doet verstaan:
Op zij, daar komt de brandweer aan.
't Is aardig wel die optocht eens te zien;
't Staat prachtig zelfs die net geklede lien,
Met helmen op, een brede riem op 't lijf;
En laarzen aan, wel hoog maar niet te stijf;
Gewapend met een ferme bijl op zij,
En wat nog verder nodig is erbij. -
Schel, schel! wie in de weg moog staan,
Op zij, daar komt de brandweer aan.
Geen wonder dat de Amsterdamse jeugd,
Op grapjes tuk, zich hartelijk verheugt,
En reeds uit pret voor brandweer speelt op straat,
Dit kan er door, maar wat haar lelijk staat,
Is dat zij scheldt of naschreeuwt, recht gemeen,
Wat dienen kan tot nut van iedereen,
Dat jongens, moet je laten staan,
Schel, schel, daar komt de brandweer aan.
't Is weer wat nieuws en 't nieuwe trekt wel aan,
Maar kan geheel de spotlust niet ontgaan,
't Wordt beurtelings gehuldigd en gelaakt; -
Wie heeft ooit iets naar aller zin gemaakt?
Hij handelt wijs, die zih aan spot niet stoort;
Het hondje blaft, maar 't karretje gaat voort;
Zo is het eeuwig reeds gegaan,
Schel, schel, daar komt de brandweer aan.
Wij wensen, 't ga de Brandweer extra goed,
Wij hopen, dat zij aan haar plicht voldoet,
En dat haar taak, hoe moeilijk die soms zij,
Wordt licht gemaakt door steun der burgerij.
Zij blust de brand en ook 't vernielend vuur
En kost ze ook veel zo blijkt zij nooit te duur.
Dan zal met roem de kreet opgaan:
Hoezee, daar komt de brandweer aan!