Naar versjes-menu  

Nieuwejaarslied

Vrienden, 'k wens u altegaar,

Vreugde en voorspoed bij elkaar

Dat ieder voor zijn oude dag,

In dit jaar wat zorgen mag.

Ik wens dat zij niet zullen trouwen,

Die niets hebben om huis te houwen,

'k Wens u in 't huwelijk veel plezier,

Aan ieder man zes kruiken bier.

 

Ik wens den brander in dit jaar

Dat hij zijn jenever mag maken zwaar.

Ik wens den tapper tot zijn baat

Dat hij veel naar de kelder gaat.

Ik wens den kleermaker veel te naaien,

Dat hij zijn winkel goed kan draaien,

Den schoenmaker wens ik er bie

Alle dagen een paar of drie.

 

'k Heb den vleeshouwer een wens gedaan,

Alle dagen een beest te slaan,

Ik wens ook den winkelier

Veel te wegen en goed vertier.

Ik wens den wever veel te weven,

Dat hij ieder het zijn kan geven,

Ik wens al wat ik wensen kan

Aan ieder meisje een goede man.

 

Ik wens den bakker veel crediet,

Dat hij dit jaar veel toeziet.

Den molenaar wens ik veel wind,

Alle jaren zijn vrouw en kind.

Ik zeg, wat kan ik beter wensen,

Tot geluk van alle mensen,

Ik wens den soldaat een goed matres,

Alle weken een gulden of zes.

 

Ik wens aan de meisjes van plezier

Alle nachten een zwierbol of vier.

Ik wens die van zijn middelen leeft,

Dat hij de armen ook wat geeft.

Ik wens, die met konijnen lopen,

Dat zij de vellen wat duur verkopen.

Ik wens aan hen die hebben maagpijn,

Dat zij spoedig gezond zullen zijn.

 

Dus vrienden, luistert naar mijn wens,

Hij is geschikt voor ieder mens,

De smid die aan het aambeeld staat,

Wens ik dat het voorspoedig gaat;

Ik wens nog aan die glazenmaker,

Dat er zeer veel glazen kraken,

De timmerman en metselaar

Wens ik veel zegen in dit jaar.

 

Ik wens de jagers een goede kans,

En de vissers een goed vangst,

Ik wens, dat die door vangst bestaan,

Dat het die lieden niet kwalijk mag gaan.

Maar nu kom  ik bij alle lieden,

Mijn gunstige wens aanbieden;

Dus vrienden, wilt gij er een van,

Voor drie centen zijt gij de man.