Mina bij het graf van Ferdinand
Ontwaak, ontwaak, vriend Ferdinand,
Hoe sluimert gij? Zo zacht te slapen?
Kom reik mij uwe liefdehand
Of doe voor mij dit graf ontgapen.
Gij zwijgt en hoort uw Mina niet
Heeft dan de dood zoveel vermogen,
Dat hij aan u ook dit verbiedt
Mijn lijdenstranen af te drogen?
Ik druk mijn voetstap neer met schroom,
Een rilling vliedt mij door de aadren,
Bij u, o God-gewijde boom,
Zal 'k met mijn klachten smekend naadren.
Een tedere kus aan uwe deugd,
Herinnert mij het droevig sterven,
Een kille handdruk in mijn jeugd,
Die op dees aard mijn heil deed erven.
Hier slaapt gij nu gerust en zacht,
Geen winden, stormen, noch orkanen,
Verschrikken u in zwarte nacht
Maar zegeviert uw doodse vanen.
Al scheurt de aardbol, gij zijt stil,
Uw dor gebeente erkent die waarde,
Berustend in uw makers wil,
Blijft 't stoffelijke voor deze aarde.
Ach, dat die troost altijd bedaart,
Hij doet een dankbare traan ontvloeien,
En plengen offers hemelwaart,
Door deze bede aan 't grafzuil groeien.
Zo wacht ik stil 't beslissend uur,
Van Hem, die mij eens deed verwerven
Het eerste licht mijns levensuur,
Om naast uw zij de dood te sterven.
Ja, eeuwig zal 't gevoel mijn hart
Voor u, o liefling, doen ontgloeien
Zelfs hoe belaan met grote smart,
Naast u als 't roosje welig bloeien.
En prijken boven al die blaan,
Wier treurige takken neerwaarts hangen,
Wijl hier op deze levensbaan
Geen vreugd mijn droefheid kan vervangen.