Het ontkiemen van Amstelredam
Toen Amstelredam het leven zag,
Was de veertiende eeuw reeds daar,
De zee en wind bruisten nacht en dag
Tegen het woeste eiland zwaar.
Want het was maar een vissersvlek,
Gelegen aan het IJ,
Dit staaft het historiebestek
In onze boekenrij.
Het eerste werk was een fikse dijk,
Die men dan steeds goed aansloot,
De zee zijn drift verbood.
Refrein:
Bouwheer en werkman juichten als om prijs,
Dat dees stad worde als Londen of Parijs.
Een eeuw was men steeds zo doorgegaan,
Men dempte en bouwde voort,
Men begon te worstelen op die baan,
Want men werd opeens gestoord.
Al door het oorlogsvuur en - zwaar,
Werd de arbeid gekweld,
Toen weer de vrede werd bewaard,
Werd de ijver weer hersteld.
Men zag scheepvaart in de stad en 't IJ,
Die weer alles leven deed,
Steeds als om de welvaart streed,
Toen de stad steeds heette Amsteldam
Was 't jaar zestienhonderd daar,
Toen men het boomklok gelui vernam,
Toen was de Zuidertoren klaar.
Toen Jacob van Kampen het bestek
Van 't achste wonder nam,
Het plan was van die architec,
Een paleis al op Den Dam,
Door burgemeesters en Amstels raad,
Moest de eerste steen gelegd,
Om er eens te spreken recht.
In 't jaar zeventienhonderd droeg de stad,
Steeds de naam Amsterdam.
Toen was het herschapen, dat watergat,
In straat en gracht, met boom en stam,
Dat was 't vissersdorp toen,
Met zijn moeras en slijk,
Beplant met schansen en plantsoen,
Met poort en met wal en dijk,
Door burgemeesters en Amstelraad,
Door hunne gouden ploeg,
De stad zijn welvaart droeg.
In 't jaar achttienhonderd deed men veel,
Menige gracht werd er gedempt,
En ieder draagt daarbij zijn deel,
Als men voor stadsverfraaiing stemt,
De koopmansbeurs al op den Dam,
Het fraaie monument,
Dat tekent uit ons gulden stam
Maak ons eer en roem bekend.
Dan ook ons fraaie Willemspoor
Die men eerst opendeed,
Toen Willem twee in reed.
Het grootste heeft men nu steeds gedaan,
Waar kruier en sleper om juicht,
Als die nu tegen een brug opgaan,
De vracht hun leden niet meer buigt,
De bruggen van de Leidse straat,
Zijn nu zo hoog niet meer,
Men vroeg soms, helpt een handje, maat,
Ja, soms wel honderd keer.
Soms moest men wachten voor zo een sluis,
Dat men wel uren stond,
Eer dat men hulp vond.
Als het dan nu maar zo voort mag gaan,
Dat men nog vele grachten dempt,
De bruggen verlaagt in de Jordaan,
Dat men daar toch ook voor stemt.
Ze zijn daar verschrikkelijk hoog,
Ze zijn een berg gelijk,
De grachten, ook soms verstikkend droog,
Ja, soms ook vol met slijk.
Dat in deze hulp wordt voorzien,
Dat onze Amstelstad,
Geheel het premier bevat,
Dat wij allen juichen als om prijs,
Dat dees stad worde als Londen of Parijs.