Naar versjes-menu  

Droevig lied of rouwklacht op het vonnis van vier personen

Christenen, hoort hier in het ronde,

Vaders, moeders, blijft wat staan,

Wat dat ik u zal verkonden,

En roep de naam des Heren aan.

Dat Hij ons toch te allen tijden

Door Zijn hulp geleiden zal,

Dat ons voet niet uit mag glijden,

En bewaart voor zulk een val.

 

Vader, zoon, met hun twee vrienden,

Spannen saam met boos geweld,

Daar de duivel hen verblindde

En bekoorde door het geld.

Buiten een klein dorpje woonden

Twee oude lien met hunne meid,

Waar zij hunne gruwel toonden

Op een late avondtijd.

 

Samen daar in huis gedrongen,

Baas en vrouw en meid ontsteld,

Zijn twee van hen voor 't bed gesprongen,

En gevraagd: waar ligt uw geld?

Als het geld door hen gevonden

En door hen geborgen was,

Zagen zij nog in het ronde,

Ja, in kelder, hoek en kast.

 

En zij vonden daar gebraden

Vlees en brood naar hun begeer,

Om hun lust mee te verzaden,

Nu aan tafel allen neer,

Maar God kan geen kwaad gedogen,

Sterkt de arme, verschrikte meid.

Die door angst en vrees bekropen,

Op haar bed te beven leit.

 

De deur van 't bed stond even open,

Zij zag nauwkeurig door het licht,

Daar ze op Godes bijstand hoopte,

Allen kenbaar in 't gezicht.

Spoedig ging men ze achterhalen,

Door waakzaamheid van 's rechters macht,

Die door bos en bergen dwalen,

Tot men hen in boeien zag.

 

Streng gebonden en gevangen

En gebracht in het verhoor,

En haar hun gewetens prangen,

Legt de rechter hen te voor

Om op een schavot te sterven

Voor hun kwaad en stout bestaan;

Jezus wil hun ziel toch erven,

Neemt hen in genade aan.

 

Ach, laat ons aller hart geheven

En het oog ten hemel slaan,

Dat haar ziel na dit kort leven,

In Godes rijk mag overgaan.