De ontaarde zoon
Hoort, vrienden, hier in 't rond geschaard,
Naar 't geen 'k u thans ga verhalen;
't Is een bewijs, hoe hier op aard,
Velen op grove wijze dwalen.
Hoe toch zal die ontaarde zoon,
Ach,ja, die tijd eens zal genaken,
Verschijnen voor des Heren troon,
Voor God, die steeds voor ons wil waken?
Zijn vader was een braaf landman,
Die steeds met zijne trouwe gade,
Zoals een oudrenpaar dat kan,
Hun enigst kind ten goede rade.
Doch hij sloeg alles in de wind,
En was maar nergens blijder mede,
Als dat hij ook confraters vindt,
Die met hem tegen 't goede streden.
Met een schoon meisje. wel gegoed,
Trad hij weldra in 't huwelijksschuitje,
Zijn liefde die verstreek met spoed,
Dat ondervond met smart het bruidje.
Zo dikwijls zij te treuren zat,
En aan haar vroeger tijd te denken,
Zij smeekte dan, de ogen nat,
Dat God haar toch de dood zou schenken.
Een overstroming kwam nu daar,
Om 't eigendom te ruineren,
Al van dat brave oudrenpaar,
Maar wat kan deze zoon dat deren.
Want toen daar alles was verslond,
En beiden naar hun zoon gaan vluchten,
Verjoeg hij wreed hen van zijn grond;
O, man, gij hebt Gods wraak te duchten.
Iemand erbarmde zich: daardoor
Nam die bij zich dees oude lieden;
En Godes zegen kwam hiervoor,
Maar...ging de wrede zoon ontvlieden.
Zijn goed werd snel vernield door brand,
Een zucht kwam toen zijn borst ontzwellen.
Wie ziet hier niet Gods wrekende hand,
Doch....laten wij geen oordeel vellen.
Zijn jonge vrouw stierf van verdriet;
En toen ook zijne beide oudren
Weldra dit aardse dal verliet,
Toen drukte de wroeging op zijn schoudren,
Zwierf eerst nog door zijn woonplaats rond,
Maar, daar veracht van die hem kenden,
Ontwijkt hij zijn geboortegrond,
Waar zal het lot hem nu heen zenden?
Toen nam hij dienst al voor de Oost,
Maar moest zijn leven spoedig laten.
De dood alleen gaf hem nu troost,
En deze vond hij door granaten.
Laat ons bedenken, 't allen tijd,
Wat God ons duidelijk wil leren:
Hij heeft in zijn gebod gezeid:
Om onze ouders wel te eren!