
Wie gaat er mee?
1.
Wie gaat er mee? Wie gaat er mee?
De wijde wereld kijken?
Het is gezond en fris op zee.
Eén man, die eet daar wel voor twee.
Zeg! zou je dat niet lijken?
Zeg! zou je dat niet lijken?
2.
Hier flinke kerels van stavast!
Geloof me, 't is waarachtig,
't Is daar zoo kwaad niet bij den mast,
Je ziet meer dan in moeders kast,
Je wordt zoo flink en krachtig,
Je wordt zoo flink en krachtig.
3.
Komt jongens mee! de wereld rond!
De wijde zee bevaren!
Niet ieder schip gaat naar den grond;
Je vind hier kost voor oog en mond
En geld! maar voor 't bewaren!
En geld! maar voor 't bewaren!
4.
Vaart lang nog onder d' oude vlag!
Oud Neêrlands kloeke zonen!
De vlag, die eens de daden zag
Van een De Ruijter, ja! die mag
Zich nog op zee wel tonen!
Zich nog op zee wel tonen!