
Het Afscheid
1.
Toen ik voor de eerste maal ging varen,
En van mijn moeder afscheid nam,
Ik zal het nooit! neen nooit! vergeten,
Hoe mij toen 't vocht in de ogen kwam;
En hoe zij mij, die lieve moeder!
Al wenend in haar armen sloot.
Ik zal het nooit! neen nooit! vergeten,
Al is zij nu al jaren dood.
2.
Al snikkend sprak zij bij het scheiden;
O! blijf altijd flink en goed!
Wordt nooit losbandig, beste jongen!
O! blijf in 't diepst van uw gemoed
God en Zijn heiligen wil vereren.
Zoek nooit kwaad of zonde uw eer.
En kom van al die verre streken
Steeds als: "Mijn jongen"tot mij weer.
3.
Dat woord, het klinkt mij nog in d' oren,
Als ik in de stilte van de nacht
Aan haar gedenk, die mij zoo lief had,
Met zooveel zorg heeft groot gebracht;
In menige ure van verzuchting
Was t mij of ik mijn moeder zag.
Alsof ik weer haar stem mocht horen,
Als op den eersten afscheidsdag.