De Zeeman

1.

Ons bootje dobbert en stevent door 't nat.

Der schuimende en hobbelige zee.

Zeer ver achter ons liggen haven en stad,

Met vrienden en vrijsters zoo innig geschat,

Zij staarden ons na van de ree,

En riepen: "geluk in het varen",

"Keer spoedig terug uit de baren".

"En breng het geluk met u mee!"

 

2.

Mij vader was zeeman, en ik ben het ook,

Van jongs af aan ben ik aan boord;

Ons voedsel is erwten, spek bonen en look,

Ik klauter, kalfaat, en ik zing, en ik rook;

Zoo slijten wij 't leventje voort,

Gezweept of gewiegd door de baren,

Bij kalmte en in bange gevaren;

Wij zijn om ons lot niet gestoord.

 

3.

Kom, Bootsman! wij hijsen de zeilen in top,

De wind is ons gunstig  en goed.

Te spoediger klieven wij 't bruisende sop,

En blaast hij de doeken en zeilen vol op,

Dat geeft ons weer adem en moed;

Dan keren wij zonder gevaren

Terug uit de schuimende baren.

Door 't Hoezee! bij de aankomst begroet.