Klein vogelijn op groenen
tak,
Wat zingt gij een vrolijk lied!
Wij hebben in ons hele boek
Zo'n vrolijk wijsje niet.
O, zeg ons, zeg ons, aardig beest,
Wie toch uw meester is geweest?
O, zeg ons, zeg ons, aardig beest,
Wie toch uw meester is geweest?
Zo zuiver zingt gij en zoo hoog,
Zo keurig in de maat,
En 't hart, dat popelt ons van vreugd,
Wanneer uw keeltje gaat.
O, zeg ons, zeg ons, aardig beest,
Wie toch uw meester is geweest?
O, zeg ons, zeg ons, aardig beest,
Wie toch uw meester is geweest?
Voor zeker, 't is de goede God,
Die 't u heeft toevertrouwd,
Opdat gij aan der blinden oor
Zijn goedheid melden zoudt.
O, ja, wij weten 't, aardig beest,
Dat God uw meester is geweest.
O, ja, wij weten 't, aardig beest,
Dat God uw meester is geweest.