![]()
|
"We wonen hier gezellig," zei moeder egel: "zo vlak langs de weg, onder deze mooie tegel.
En je ziet nog eens wat, ik heb nog nooit zo’n fijn huis gehad. Auto’s blijven hier altijd even staan, zodat we rustig de weg over kunnen gaan, nee, ik ga hier nooit meer vandaan.
De lamp daar moet pappa nog iets aan doen, want die wordt steeds oranje, rood en daarna groen."
|
Het vlindertje en de bij
Het vlindertje zei tegen de bij: 'Ik maak zij en wat maak jij'. Weet je wat het bijtje zei?
'Kom maar mee naar mijn woning ik maak voor de beertjes honing en ook een beetje voor het kind, proef ook maar of jij het ook lekker vindt.
De vlinder proefde en hij zei: 'Maak je voortaan ook wat voor mij' 'Ja hoor' zei het bijtje blij, 'maak jij dan wat zij voor mij'.
|
Het gras De
boer heeft vandaag gras gemaaid Opa
ploegde de grond om en om Na
een mals buitje regen |
|||
|
Schipper mag ik overvaren
Schipper mag ik overvaren. Ja of nee??
Moet ik dan ook tol betalen,
Ja of nee??
Hoe??
|
|
Groen is gras, groen is gras onder mijne voeten 'k Heb verloren, mijn beste vriend Waar zal ik hem zoeken?? Hee daar, plaats gemaakt voor de jongedame En de koekoek op het dak Zingt een lied op zijn gemak O, mijn lieve Augustijn Deze dame zal het zijn
|
|||
|
Ga naar de markt Koop een koe Kalf daartoe Koe een daalder De koop gaat door Geluk ermee Mijn geld, mijn geld, mijn geld
|
Kaatsebal Ik vang je al In mijn ene hand In mijn andere hand Van klipperde klap Van voetjesgetrap Van rommeldebom Van keer maar eens |
Doorlopertje In spin de bocht gaat in uit spuit de bocht gaat uit |
|||
|
Papagaaitje leef je nog???? ia deeja, ia deeja 'k Heb mijn eten opgegeten en mijn drinken laten staan ia deeja ia deeja Poeff!!!!
|
|
Twee emmertjes water halen Twee emmertjes water halen Twee emmertjes pompen Meisjes op de klompen Meisjes op je houten been Rij maar door mijn straatje heen Van je ras, ras, ras, rijdt de koning door de plas Van je erk erk erk rijdt de koning door de kerk Van je één, twee, drie
|
|||
|
Daar komt een klein muisje aangeslopen en die is in Beppie haar halsje gekropen!!!!
|
Ikke Pikke Porretje De meester heeft een snorretje De meester heeft een sik Af ben ik
|
Juffrouw Katrijntje Zat achter 't gordijntje Wat deed ze daar?? Ze kamde haar haar Ze waste haar handjes Ze poetste haar tandjes Ze droogt ze weer af Toen ging ze weer staan Van voren af aan Van handjegeklap Van voetjesgetrap Van rommeldebom Keer nog eens om |
|||
|
Drie maal drie is negen, Ieder zingt zijn eigen lied. Driemaal drie is negen:
........zingt zijn lied
|
Vis, vis, wallevis Die vannacht gevangen is, Van één, van twee, van drie! Sta niet op! Sta niet op! Of je krijgt het koord al op je kop, Van één, van twee, van drie, sta op!
|
't Schip moet zeilen, 't Scheepje ligt aan wal! We zeilen ja, we zeilen, ja, van een twee-drie! En alle scheepjes zeilen, ja van een twee drie! |
|||
|
Alle eendjes zwemmen in het water, Falderalderiere, falderalderiere
Alle eendjes zwemmen in het water, falderalderalderadera
|
![]() |
Een,twee, drie, vier, een hoedje van papier, en als dat hoedje dan niet past, dan zetten we 't in de glazenkast. Een,twee, drie, vier, een hoedje van papier,
|
|||
|
Kleine Jan stond op de brug, met zijn handjes op zijn rug en zijn duimpjes in zijn mond. Draai eens driemaal in het rond. Van je een - twee - drie! |
Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week, maar 's zondags niet; 's zondags gaat zij naar de kerk met een boek vol zilverwerk. |
Amsterdam. die grote stad, die is gebouwd op palen; als die stad eens ommeviel, wie zou dat betalen? |
|||
|
En wie de gans gestolen heeft, die is een dief, En wie de gans gestolen heeft, die is een dief! Daar staat de ganzendief: Die heeft geen mens meer lief!
|
![]() |
Wel, wat zeg je van mijn kippen Wel, wat zeg je van mijn haan? Hebben ze geen mooie veren, Of staat jou de kleur niet aan?
|
|||
|
Bim, bam, beieren, de koster lust geen eieren. Wat lust hij dan? Spek in de pan: O, wat smult die koster dan!
|
De bakker op de hoek Die heeft vannacht geblazen, De vellen van zijn broek, Die hangen voor de glazen Als een boekweiten koek.
|
Draai het wieltje nog eens om, Klap eens in je handjes. Zet je handjes in de zij, Op je bolletje allebei, Zo varen de scheepjes voorbij.
|
|||
|
Ik kwam laatste in een poppenkraam, daar zag ik al die poppen staan. Ik vroeg: Wat doen die poppen hier? Die poppen drinken poppenbier, Die poppen drinken poppenwijn; wat zullen die poppen vrolijk zijn!
|
|
Er was er eens een mannetje, Dat dronk wat uit een kannetje. Er was eens een vrouwtje, Dat heette Doezedouwtje. Er was eens een kindje, Dat droeg een zijden lintje; Er was eens een kleine guit - En nu is mijn versje uit
|
|||
|
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven, Heb je wel gehoord van de zevensprong? Ze zeggen, dat ik niet dansen kan! Ik kan dansen als een edelman Dat is één!, Dat is twee! Dat is drie! Dat is vier! Dat is vijf! Dat is zes! Dat is zeven!
|
Klein vogelijn, op groene tak, wat zingt gij een aardig lied. Wij hebben in ons hele boek zo 'n vrolijk wijsje niet. O zeg, o zeg ons, aardig beest, wie toch uw meester is geweest.
|
Maseurtje, ga je mee Als wij jagen, als wij jagen? Maseurtje ga je mee, Als wij jagen rond de stee? Ja maseurtje, gij en ikke, Door den dunne, door den dikke Als wij moeten jagen gaan. Kruip door, van toer-loe-ret-te Kruip maar door van toer-loe-roe
|
|||
|
Jan, mijn man, wou ruiter worden, Janneman had er geen degen; toen nam Jan, mijn man, een koek - die stak Jan al door zijn broek; Janneman had er een degen; Jan, mijn man, rij wat an, dat je een ruiter worden kan.
|
|
Hansje, pansje, kevertje. die klom eens op een hek. Neer viel de regen, die spoelde alles weg! Op kwam de zon, die maakte alles droog. Hansje, pansje kevertje, die klom toen weer omhoog.
|
|||
|
Hoe zachtkens glijdt ons bootje Daar op het spieglend meer. De riempjes, net en proper, Gaan luchtig op en neer. De golfjes kabb'len spelend Al tegen 't bootje aan, En ginds zien wij de toren In groene bosjes staan.
|
Hop, Marjanneke, stroop in 't kanneke, laat de poppetjes dansen! Eertijds was de prins in het land en nu die kale Fransen. Hop, Marjanneke, stroop in 't kanneke. Hop, Marjanneke Jansen. Hij wiegt het kind, hij roert de pap en laat zijn hondje dansen.
|
In Den Haag daar woont een graaf En zijn zoon heet Jantje. Als je vraagt: waar woont je pa? Dan wijst hij met zijn handje, Met zijn vingertje en zijn duim, Op zijn hoed draagt hij een pluim, Aan zijn arm een mandje. Dag mijn lieve Jantje
|
|||
|
Klein Zusje
Kopje rond, kopje blond, dag, m'n lieve zusje, Neusje klein, oortjes fijn, zus, ik geef je een kusje.
Zusjelief, hartedief, o,wat lacht je mondje. Heb je hier, zo'n plezier, aardig, vriend'lijk blondje???
|
Het wonderhuisje
In Den Haag daar staat een huisje en dat is een wonderhuisje. In dat huisje is een kamer en dat is een wonderkamer. In die kamer is een kastje en dat is een wonderkastje. In dat kastje is een plankje en dat is een wonderplankje. Op dat plankje staat een flesje en dat is een wonderflesje. In dat flesje is een drankje en dat is een wonderdrankje. Van dat drankje - luister goed - worden stoute kinderen zoet. Dus moet Hansje met zijn moe mee naar 't wonderhuisje toe. |
Wat een etersbaas
Heb je wel gehoord van de kleine dikke jongen die zo vreselijk eten kon?? 'k Zal je eens gauw vertellen wat hij gisteren heeft gegeten en dan zul je vragen hoe de jongen 't toch verzon. Zeven diepe borden karnemelkse brij met een pondje stroop erbij. Zeven dikke boterhammen, flink belegd met plakken kaas. Is dat nu geen etersbaas? Maar toen ad dat etersbaasje nog niet eens genoeg. Weet je wat hij toen nog vroeg? Zeven krentepannekoeken, als zijn duim zo dik, zeven sneeën krentemik, en nog tot besluit. zeven rol beschuit En nu is mijn versje uit |
|||
|
Begrijp je dat??? Gistermorgen had klein Keesje in de straat een ongeluk: Keesje viel pardoes voorover en.... zijn linkerbeen was stuk. Niet een beetje maar.....neee, neee, 't been lag helemaal in twee, Moest klein Keesje nu niet huilen?? Nee, het ventje had plezier!! Daad'lijk stond hij op en lachte. Had hij dan geen pijn??? - Geen zier!! Met de stukken van zijn been liep hij op een drafje heen.
|
|
Erg vriendelijk
Dikkerdje zat in een hoekje, Dikkerdje las een boekje, want daar stonden versjes in en bij ieder versje een prentje. O, wat mooi toch!! riep ons ventje, dat's een boekje naar mijn zin!! Toen kwam Drikkerdje zijn zusje en die gaf haar broertje een kusje: Mag ik óók dat boekje eens zien?? Dikkerdje wou vreindelijk wezen, Dikkerdje hield op met lezen en hij zei: Hier heb je 't Mien. |
|||
|
Vlindertje, wat ben je keurig!!
Vlindertje, wat ben je keurig, met je vlerkjes blauw en rood. Nee, ik zal je heus niet vangen, want dan ga je immers dood?? Vlieg maar rond, naar alle kanten in de mooie zonneschijn. Ik zou, als ik in je plaats was, ook niet graag gevangen zijn!! Zie je wel die mooie bloempjes?? En wat zeg je van hun kleur?? En grbuik eens goed je neusje: ruik je wel die lekkere geur?? Jij mag blij zijn, jij moet vrij zijn, zoek de mooiste bloempjes maar: Vlindertje en mooie bloempjes horen immers bij elkaar?
|
Daar liep een aardig meisje Langs de waterkant! Schoentjes aan haar voeten Roosjes in haar hand Sirosa, violette, violette, violette, 'k Heb scharen te slijpen Dat kun je begrijpen En hard dat ik liep! Een, twee, drie, scharensliep
|
Gisteravond in mijn bedje
Gisteravond in mijn bedje heb ik Sinterklaas gehoord. Op zijn paardje reed hij zachtjes over onze daken voort. Trippel, trappel, trippel, trap, 'k Hoorde duidelijk paardjes stap. Nu zal 't ook niet lang meer duren eer ik Sinterklaasje zie!! Vader zegt - en die kan 't weten - Nu nog maar een dag of drie. Ja, dan belt hij bij ons aan en je ziet hem voor je staan!!! |
|||
|
De regen viel in
stroomen neer
t was wat je noemt
‘echt hondeweer.’
Heel kalmpjes kwam
daar dikke Daan
den natten
straatweg langs gegaan.
‘Zeg, man,’
riep dravend maag're Piet,
‘voel jij den
zwaren regen niet?
‘Loop, kerel,
maak een beetje haast!’
Waarom?’ vroeg
Daantje, heel verbaasd;
‘maak jij maar
beenen voor mijn part, -
het regent ginder
even hard!’
|
Kees gaat op reis, - uit den weg, uit den weg 't Paardje dat wil over heg, over steg, Kees gaat op reis! Ju, paardje, ju! Hoû je flink, hoû je goed! Snuif maar en briesch maar met vroolijken moed, Ju, paardje, ju!
|
Een ooievaar stond
in een poel
en hield zijn
rechterpoot wat koel.
Hij keek al doende
naar benêen,
naar 't beeld dat
in het water scheen...
Wat is dat voor een
oolijk dier
dat mij staat te
begluren hier?
Wat hoeft hij mij
zoo aan te gapen,
al mijn manieren na
te apen?
De minste buiging
die ik maak,
hij doet ze na, die
rare snaak!...
Nu, ga je gang
maar, looze guit!
We gaan eikaars
geduld eens meten;
want ik ben
zinnens, moet je weten
zoolang jij niet
vertrekt,
ga ik den poel
niet uit!
|
|||
|
Wij maken een kringetje van jongens en van meisjes Wij maken een kringetje van tra-la-la! Maak een buiging! Maak een buiging! Bij de hand, bij de hand, pak je liefste bij de hand!
|
|
Duimelot is in het water gevallen Likkepot heeft er hem uitgehaald Lange Jan deed hem weer naar huis brengen Korte knaap heeft hem in 't bed geleid En het kleine, kleine Pinkske Heeft het al aan zijn moeder gezeid!
|
|||
HET
ORGEL
|
|
In 't groene dal, in 't stille dal, Waar kleine bloemjes bloeien, Daar ruist een blanke waterval, En druppels spatten overal, Om ieder bloempje te besproeien, Ook 't kleinste!
En boven op der heuvelen spits, Waar forse bomen groeien. Daar zweept de stormvlaag fel en bits, Daar treft de rosse bliksemflits, En splijt, bij 't daavrend onweerloeien, De grootste!
Omhoog, omhoog, op berg en dal, Ben 'k in de hand des Heren! Toch kies ik, als ik kiezen zal, Mijn stille plek, mijn waterval, Toch blijf ik steeds, naar mijn begeren, De kleinste!
|