Naar versjes-menu  

Wilhelmina van Nasssouwe

Wil'mina van Nassouw

Den ik van Dietschen bloed.

Het vaderland getrouwe 

Blijf ik tot in den dood.

Prinsesse van Oranje

Ben ik vrij, onverveerd,

't Bewind van 't oud Germanje

Heb ik altijd geëerd.

 

In vree met elk te leven

Heb ik altijd betracht,

Nochtans ben ik verdreven,

Om land, om luid gebracht,

Maar God zal mij regeren

Als een goed instrument,

Dat ik zal wederkeren

In mijnen regiment.

 

Laat vreemd geweld ons drukken

En neerslaan, wat weerstreeft.

Toch kan 't mij niet ontrukken,

Wat diep in 't harte leeft;

Dat is de liefd' en trouwe

Door mijn geslacht verpand,

Wat kwaad de vijand brouwe

Aan 't dierbaar vaderland.

 

Het stormgetij moog' wassen,

De golven mogen woên,

De vuurmond moge bassen

En alles daav'ren doen;

Toch schrijf ik op mijn vane,

Ontplooit op Britse ree,

Hoort toe, mijn onderdanen:

't Aloud "Je maintiendrai".

 

En waar mij God moog' leiden,

Hoe lang mijn zwerftocht duur'

'k Blijf niettemin verbeiden,

Het blij bevrijdingsvuur.

Eens klinkt "Oranje boven"

Weer uit der mijnen mond,

Dan zal ons danklied loven,

Hem, die verlossing zond.

 

Langs onbegrepen wegen,

Voert vaak der volk'ren lot,

Maar 't eind wordt immer zegen,

Waar 't biddend klimt tot God.

Laat dan de Heer maar waken,

't Is wijsheid, wat Hij doet,

Zoo zal hij alles maken,

Dat g' u verwonderen moet.

 

Met al hun dapper vechten,

Met al hun stout lawijt,

Zij zullen ons niet knechten

De machten van deez' tijd;

Tenzij het Woord des Zwijgers,

Moedwillig werd verzaakt;

'k Heb met den Heer der Heeren,

Een vast verbond gemaakt.

 

Ik wek U op te blijven

Vertrouwen t' allen stond,

Dan zullen wij verdrijven,

Die nu ons hart doorwond,

God zal 't ons doen gelukken

Op zijn bepaalden tijd,

Zijn hand zal ons ontrukken

Van 's vijands macht en nijd.

 

Na 't zuur zal ons verblijden

Het zeer begeerde zoet.

Gelouterd door het lijden,

Zien wij het einde goed.

Ik keer dan tot u weder,

Wat lijkt die toekomst schoon,

En 'k leg dan met U neder

Mijn danklied voor Gods troon.

 

Aan u, mijn onderdanen,

Mijn vorstelijk saluut,

Totdat mijn Leeuw verdrijve

Der Nazi's attribuut,

Straks wijken 's vijands horden,

Straks zwijgt het droef geween,

Als 't weer zal geworden:

ORANJE EN NEERLAND: EEN

 

 Naar versjes-menu