Uit het diepst van mijn hart
Ik snak naar een dag, vol rood, wit en blauw,
Met de zwier van Oranje er boven,
Ik snak naar 't Wilhelmus met zijn hou en zijn trouw,
Waarin elke HOLLANDER kan gelooven.
Ik snak naar een echt, rond-Hollandsche krant,
Die haar meening weer ronduit kan schrijven,
Ik snek weer naar daden in Hollandsche trant,
Ik, die NEDERLANDER ven en wil blijven.
Ik snek naar het uur, dat het valsche geluid
Van dien valschen profeet zal verstommen,
En 't geweld van die vrees'lijke stem wordt gestuit
En geen rug er zich meer voor zal krommen.
Ik snak naar den dag, dat het vuigste verraad
Door het laagste geboefte verdreven.
Aan de galgen dan boet zijn onhollandsche daad
En zijn laatste uur zal beleven.
Ik snak naar het uur, dat de stad Rotterdam
De "cultuurdaad" zal worden gewroken,
Die dat duivelsch gebroed tegen haar ondernam
En haar puinhoopen nu nog doet rooken.
Ik snak naar den dag, dat de laatste Germaan,
Zonder Sieg, zonder Heil, naat zijn Heimat zal gaan
En zijn vunzige vlag, die ons land thans besmeurt,
Als een vunzig vuil vod door de goot wordt gesleurd.
Ik snak naar dien dag, dat hij kome heel gauw,
Ik snak naar een land vol van rood, wit en blauw.