Naar versjes-menu  

Rotterdam

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,

hoe is zij wonderlijk en licht;

de huizenlooze straten loopen

van niets naar niets, toch niet ontwricht.

 

De hemel straalt als nooit te voren

op waar der eeuwen trouw verdween,

de zomer heeft geen glans verloren,

de zon schijnt, zoals ze altijd scheen.

 

Men gaat, in innerlijke afzond'ring

herdenken, hoe het is geweest,

en vindt zichzelf tot zijn verwond'ring,

geschokt veel minder dan bedeesd.

 

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen,

boven vergangklijkheid en wee;

een herder rust thans op de puinen

van Babylon en Nineveh