Naar versjes-menu  

Nachtgebed

Ik dank U, Heer, voor alle goede dingen,

die 'k mocht beleven, dezen langen dag,

van dat 'k vanmorgen op mijn knieën lag,

tot de cipiers de lichten dooven gingen,

en 'k in het duister Uwe woning zag.

 

Ik dank U, Heer, voor die betraande oogen,

die 'k bij 't bezoek in mijn oogen zag,

en voor de vrijheid van dien blijden lach,

waartoe Ge ons tesamen hebt bewogen,

en voor die hand, die in mijn handen lag.

 

Wil, Heere, mij in ootmoed trouw bewaren,

en ver van 't geen voor U niet wezen mag;

getuigend, door mijn wezen en gedrag,

dat 'k zonder U een hoopje wanhoop ware,

maar dat 'k slechts wel-vaar onder Uwe vlag.

 

Geef, Heer, den vrede in ons aller harten,

doordat wij allen samen zondaars zijn,

maar door het bloed, van onze zonden rein,

bij 't kruis van Uwen lieven Zoon der smarten,

en zonder dat alleen maar bang en klein.

 

En dat dit huis, waarin wij allen wonen,

en koude steen ons, arme zondaars scheidt,

door Uwe goedertierenheid gewijd

der wereld in zijn boetekleed moog' toonen,

dat hier Uw koninkrijk wordt voorbereid.

 

Dat straks de muren worden afgebroken

op Uw signaal, dat in de harten beeft;

dan heeft Uw dienaar niet om niet geleefd

in 't grauwe boetekleed van Melis Stoke,

die, in zijn kerker, U gevonden heeft.

 

 Naar versjes-menu