Naar versjes-menu  

Na den oorlog

Wij zullen na den oorlog moeten bouwen

aan alles wat de waanzin heeft vernield,

Wij zullen moeten werken, herbezield

en opgestooten tot een nieuw vertrouwen.

 

Geen winnaar zal er zijn en geen verwonnen

door overmacht van wapenengeweld,

wij zullen, tot de levenden geteld,

als vrij menschen staan en klaar-bezonnen

 

weer moeite van den arbeid op ons nemen,

jij makker op het land, jij in de mijn,

wij zullen allen koningen weer zijn,

met zeil en spa, de bliks'mende emblemen.

 

van onze staat - en armen zullen tillen

het laatstgeboren kind naar gloed van zon,

en harten keeren tot den Levensbron,

wiens stroomen wereldbrand in 't eind kwam stillen.

 

O Vaderland, rijs op, de luchten rooden,

Hoor onze torenklokken bonzend slaan,

met bronzen tongen kondigen zij aan

de vrijheid over levenden en dooden.

 

Ontketend volk, gooi wijd je huizen open

en draag een zingen door 't verloste land -

De stoere werkers van den havenkant,

De vrouwen uit de stegen komen loopen

 

en lied'ren barsten uit hun sterke kelen,

De zwoegers van de scheepswerf en fabriek

De mannen van de ploegschaar en de riek,

De meisjes uit den schemer van bordelen,

 

De kinderstemmen met hun prille koren,

De burgers aan den dijk en van de gracht,

De invalide, die zijn offer bracht,

De jeugd van 't atelier en de kantoren.

 

Eén volk, één eenheid van herboren zielen,

Die tot den doodenakker schrijden komt,

Waar vreugde tot gedragenheid verstomt,

nu elk bij zijn gevallenen mag knielen.

 

Diep nijgen neer de vanen van hun handen,

Hun adem zinkt tot een verstild gebed,

Dan staan ze op en dreunend gaat hun tred

door stad en dorp, door wijde polderlanden

 

en lichtend staat op hun gezicht te lezen:

Vergeten alle haten, alle pijn,

Wij menschen zullen voortaan broeders zijn,

Nooit meer zal oorlog op de aarde wezen.