Ik sla de trom.......
Ik sla de trom en dreun de droomers wakker,
Wie droomt verraadt zijn vrouw, zijn kind, zijn makker.
Geen eerlijk man kan zich gelukkig voelen
Als zijn gelijken, die het goed bedoelen
En nooit hun stuggen nek hebben gebogen,
Door liederlijke landsknechten bespogen,
Getrapt, geslagen worden tot ter dood.
Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla de trom, het is geen tijd voor zingen,
Voor maanlicht, minnepijn en mooie dingen.
Als de gerechten, onze zielsgenooten
In donk're martelkampen weggesloten
Verteeren zonder hoop op beter morgen,
Als dronken loeders godenzonen worgen,
Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla de trom, het voordeel van deze aarde
Verloor voor wie een hart heeft alle waarde,
Wie denkt aan ketenen en ballingsoorden
Veracht muziek en gruwt van groote woorden;
Zoolang de besten in hun cellen zuchten,
Dweept men niet met opalen avondluchten,
Het leven is verbitterd door den dood,
Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla de trom, stroomt samen, wij zijn velen,
Mijnwerkers komt met bijlen en houweelen,
Gij boeren scherpt Uw zeisen en Uw grepen,
Matrozen neemt de haken van Uw schepen,
En jagers laadt met scherp Uw jachtgeweren,
Wij zijn de laatsten en wij moeten 't keeren,
Boven den knoet verkiezen wij den dood,
Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla den trom, we zijn in 't nauw gedreven,
Wij die in vrede en vriedschap wilden leven,
Werden een zee van purperroode vlammen
Die zeg een weg baant door betonnen dammen:
Bezielde mannen die voor vrijheid vechten
Zijn sterker dan een troep betaalde knechten,
Wij vreezen niets, den duivel noch den dood.
Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla den trom; eens komt een eind aan 't lijden,
Na deze ellenden rijzen zachte tijden,
Dan bouwen we weer onze luchtkasteelen,
Dan mogen onze kinderen weer spelen,
Dan glijden weer op 't meer de blonden barken,
Dan vrijen weer de paren in de parken....
Het leven wint het eind'lijk van den dood!
Maar wordt nu wakker, want de nood is groot.