Naar versjes-menu  

Celwagen

De dievenwagen stop vóór het station,

Geelgrijze auto op gloednieuwe banden.

Vier jonge mannen met geboeide handen

Staan plotseling in 't licht van d'ochtendzon.

 

Eén tilt een oogenblik zijn wit gezicht

naar lang ontbeerde zeeg'ning van dit stralen,

De tweede blijft onwennig even dralen,

Dan slaat een marechaussee de deuren dicht.

 

De derde proeft opeens een bloemengeur,

Hij ziet een venster met een mand vol rozen

- (Sie haben gegen Wehrmacht sich verstossen)-

De haat brandt aan zijn kop met koorts'ge kleur.

 

De vierde wou dat 't einde nu maar kwam,

Hij hoort de tram hard door een railsbocht gillen

en ziet de stad - zijn dunne lippen trillen,

Zóó neemt hij afscheid van zijn Amsterdam.

 

"Die snuiters hebben vast wat uitgevoerd".

"Ze deejen niks dan oov'ral fietsen gappen".

"Nou motte ze hun jaartjes op gaan knappe".

"Ze binne jong"- Äfijn"- "'t Is toch beroerd".

 

Hoog boven dit geroddel straalt de zon,

Ze denken: straks zal die onz' angst genezen,

Waar zal het salvo in de hei op wezen?

Recht op ons hoofd? - Nee, dwars door 't hart als 't kon.

 

                                                                  

 Naar versjes-menu