Aanklacht
De vrouwen van Holland klagen
onze onderdrukkers aan:
Gij hartelooze tirannen,
wat hebt gij met onze mannen
en onze zonen gedaan?
Gij haalt ze weg in de nachten
of bij 't eerste begin van den dag,
laadt ze in knarsende treinen,
verbant ze, waar ver van de zijnen
elk hunner lijdt bittere pijnen,
onder de hakenkruisvlag.
De vrouwen van Holland klagen
opnieuw de onderdrukkers aan:
Wat hebt ge met onze steden,
onze trotsche steden gedaan?
Door hun zonnige straten
joeg Uw geweld een orkaan;
sloeg in hen kuilen en gaten;
liet armzalige geraamten slechts staan.
De vrouwen van Holland klagen
weder en wederom aan:
Hoe durft aan onze ouden van dagen
ge Uw rechtlooze hand te slaan?
Gij jaagt ze uit vertrouwde woning,
waar heel hun verleden ze omzweeft;
berooft van koest'rende zorgen
de ouderdom, die geenmorgen,
enkel een gisteren heeft.
De vrouwen van Holland klagen
gestreng de verdrukkers aan:
Wat hebt ge met onze armen,
onze armen van geest gedaan?
Kent gij dan zelfs geen erbarmen
met de slachtoffers van dezen waan?
Wij bouwden hun ruime verblijven
onder schaduwrijk geboomt
waar sterker worden de lijven
en de ware ziel vredig droomt.
Wij leerden opnieuw hun den zegen
van den arbeid; en de muziek
omzweefde hun duistere wegen,
met haar heldere, stralende wiek.
Wat wij bouwden in jaren,
in dagen breekt gij kwaadwillig het af.
God zal U rekenschap vragen,
Uw straf zult gij zeker dragen
in de eeuwigheid van het graf.
De vrouwen van Holland klagen
met sidderende stemmen aan:
Wat hebt gij met onze harten
onze menschenharten gedaan?
Gij hebt ze gekneusd en gebroken,
gij stampt z'n in Uw mortels tot gruis,
gij hebt ze doorpriemd en doorstoken,
gij nagelt ze aan het kruis.
Maar Uw geweld kan niet maken
ze Uw slaven, niet laf en niet klein;
kan niet ter aarde ze buigen,
noch afhouden van te getuigen:
"SURSUM CORDA"
zoo moog' het zijn!