Michiel Adriaanszoon de Ruijter
1.
Ik zing er al van een Ruijter koen,
Maar niet van een ruiter te paard;
Toch was hij wel Engelse dravers te gauw,
Hij maakte wel Franschen vervaard.
Hij maakte wel Franschen vervaard.
2.
Hij reed er al op zijn houten ros
De zee in een ommezien rond,
En Landen en stranden, ze beefden voor 't ros,
Als 't brieste met koperen mond.
Als 't brieste met koperen mond.
3.
En wie maar niet snel ter zijde sprong,
En wie voor Oud-Holland niet boog,
Dien sloeg er dat ros met zijn hoef, dat het bloed
Uit neus en oren hem vloog.
Uit neus en oren hem vloog.
4.
Toen was nog ons land zoo stout en vrij,
Toen was het zoo krachtig en groot;
Maar 't ros werd al zachtjes vernageld en oud;
De Ruijter, de Ruijter was dood.
De Ruijter, de Ruijter was dood.
5.
Och, Vlissinger Michiel, de Ruijter koen,
We pantseren nu wel ons paard,
Maar wanneer zal 't draven en briesen op zee,
Als toen Gij er ruiter op waart.
Als toen Gij er ruiter op waart.