Eén
alleen
1.
Eén
alleen is maar verdrietig
kom
en zing met mij mee!
Twee
en twee klinkt wel aardig
kom
wij zingen met ons twee!
2.
Eén
alleen is maar verdrietig,
kom
en zing met mij mee!
Laat
ons daarom zonder falen
vroolijk
zingen twee en twee!
Wie
zingt er mee!!!
1.
Wie
zingt er mee een jolig liedje,
Een
leutig wijsje, Been krachtig lied!
Refrein
Zeer Vrolijk:
Wie
houdt van zonneschijn,
Jong
en vrolijk zijn,
Wie
houdt van Blijden zang
't
Hele levenlang,
Wie
op een sombren dag
Toch
een lied en lach,
Die
zingt er met ons mee.
Wie
zingt er mee?
Die
zingt er met ons mee.
Wie
zingt er mee??
2.
Wie
gaat er mee zo zingend door 't leven,
Zo'n
leutig wijsje,
Dan
word je niet oud.
Dan
zing je zelfs bij zon en bij regen,
want
geen van ons allen,
die
't ooit berouwt!
De krekel en het meisje
1.
Krekeltje,
krekeltje in het gras,
'k
Wou dat ik wist waar je was, waar je was,
'k
Hoor je nu hier dan weer hoor ik je daar,
Waar
je toch zit, word ik nimmer gewaar.
Altijd
gaat je viooltje: kriek, kriek!
Heel
den dag maak je vrolijk muziek.
Heel
den dag maak je vrolijk muziek!
La,
la, la, la, la la, Kriek, kriek!!,
2.
Meisje
lief, meisje lief, ik ben hier,
'k
Zie je wel zoeken en 'k Heb zo'n plezier!
'k
Roep maar gedurig van kriek - ker - de kriek,
Jij
weer aan 't zoeken en ik lach me ziek!
Maar
als j'al te dicht bij me komt,
Dan
opeens is 't gefiedel verstomd,
Dan
opeens is 't gefiedel verstomd.
La,
la, la, la, la la, Kriek, kriek!!,
3.
Krekeltje,
krekeltje, kleine guit,
Lach
jij gerust mij maar uit, mij maar uit.
'k
Wilde alleen toch zo graag es zien
Of
het wel waar is, wat
onze zus Lien
Mij
vertelt van je krekelmuziek.
Maak
je die echt met je poot, kleine kriek?
Maak
je die echt met je poot, kleine kriek?
La,
la, la, la, la la, Kriek, kriek!!,
Echo
1.
Daar
lopen drie aardige meisjes
Te
zingen in 't heerlijke bos,
Ze
kennen de joligste wijsjes
En
deunen er dapper op los:
Tra
- lie - e, Tralalee - e, Tra-la - la-la-la-la - la!
2.
En
ginder weer kaatsen hun wijsjes
Op
't Bosje aan 't eind van de laan;
't
Is net of drie andere meisjes
Daar
liedjes te neuriën staan:
Tra
- lie - e, Tralalee - e, Tra-la - la-la-la-la - la!
3.
Hun
liedjes weerkaatsen van voren,
Maar
ook tegen 't frisgroene dak,
Want
vogeltjes laten zicvh horen
Daar
boven op twijg en tak:
Tra
- lie - e, Tralalee - e, Tra-la - la-la-la-la - la!
Aanpakken
1.
De
handen uit de mouwen,
De
handen aan de ploeg,
Bepeinzen
en beschouwen,
Dat
doen er al genoeg.
We
kennen mooie frazen
En
frazen En fijn en fijn geredeneer,
Maar
werken en niet dazen
Daar
komt het toch op neer!
Maar
werken en niet dazen
Daar
komt het toch op neer!
2.
Niet
eerst een spooksel scheppen
Dan
sterven van de schrik
Van
goeden wil niet reppen
Op
't laatste ogenblik
Niet
steeds het goede bedoelen
Wanneer
de uitkomst faalt
Wie
fouten maakt, mag voelen
Hoe
men zijn werk betaalt
3.
Niet
steunen op een ander
Op
eigen benen staan
Toch
vrolijk met elkander
Door
't volle leven gaan
Je
eigen biertje brouwen
Gelegenheid
genoeg
De
handen uit de mouwen,
De
handen aan de ploeg!
De
Watermolen
1.
Als
de morgen kriekt,
Blijde
molen wiekt
In
den wind, die uit 't Westen komt waaien,
Fleurig,
fris gezicht
Als
in 't morgenlicht
Blanke
wieken zo ijverig draaien.
2.
Heel
den langen dag
Is
hij aan de slag
Om
het water, dat wast, te bedwingen
Hoe
het bruist en spat
Uit
het molengat
Kolkend,
wielend in went'lende kringen.
3.
Tot
de schemering
Wiekt
het rappe ding
't
Laatste rood van de zon in de zeilen.
Als
de avond valt
Zie
'k z'n rank gestalt'
Zoetjes
aan in de dampen verijlen.
Kastanjes
Het
is een heldere dag in Mei
De
wind waait lustig, de zon schijnt blij
Op
bloeiende paarse seringen
En
gouden regens in gelen tooi
En
alles is zo mooi, zo moo!
En
alle vogels zingen!
Zie
hoe blauw de hemel blauwt
Boven
de weiden geel als goud
De
zonnige bloeiende landen
En
zie de kastanjebomen staan!
Daar
groeien witte kaarsjes aan
Wat
zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer
ze vanavond branden
Wat
zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer
ze vanavond branden!
Langoor
op reis
1.
Heer
Langoor zou op reis gaan
Op
reis gaan voor plezier
't
Ging recht uit op Parijs aan
Wel
twintig uur van hier
Hij
droeg een vuurrood jasje
Zijn
vest was blauw geruit
En
achter uit zijn broekje
Daar
stak zijn staartje uit
2.
Hij
zei: 'k Loop langs de wegen
Nu
als een deftig heer
'k
Ben voor geen mens verlegen
Ik
vrees geen jager meer
Hij
zag een veld met kolen
Toen
heeft hij niet getoefd
Maar
zich in 't groen verscholen
En
van de kool geproefd
3.
Daar
liet de boer zich horen
Wat
was dat voor gerucht
Heer
Langoor spitste d' oren
En
zette 't op de vlucht
't
Ging recht door moddersloten
Och,
och wat een ongeluk
Heer
Langoor brak twee poten
En
't broekje scheurde stuk
Wat
zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer
ze vanavond
Droom,
kindeke, droom!
1.
Droom,
kindeke, droom,
Dat
't leven is een paradijs,
Je
bed 'n betoverend goudpaleis,
En
al je poppen prinsjes zijn
Droom,
kindeke klein!
2.
Droom,
kindeke, droom
Dat
vreugde komt voor droefenis
Dat
's levensleed geleden is
De
mensen steeds verdraagzaam zijn!
Droom,
kindeke, klein!!
3.
Droom,
kindeke, droom
Want
als je strakjes wakker bent
In
'n wereld die jij niet kent,
Dan
zal 't zo moeilijk voor je zijn
Droom,
kindeke, klein!
Klokken-klanken
1.
Hoort
de zuivere klokken klinken
Van
de hoge torentrans
Hoort
het liedje, dat zij zingen
In
een frank en vrije dans
Tonen
door het luchtruim zweven
Als
een twinkelend geluid
Klokken,
die hun liedjes geven
Klokken,
die hun liedjes geven
Brengen
leven, Brengen leven
Dragen
't in de verte uit.
2.
Als
de zuivere klokken zingen
En
de avond is zo stil
Is
het of mij haar gebeier
Telkenmaal
iets zeggen wil
Rijst
een bede en een dank
Over
mij komt rust en vrede
Over
mij komt rust en vrede
't
Hart zingt mede
't
Hart zingt mede
Met
der klokken schoon geklank
Die
stoute mussen
1.
Hoor
stoute mussen groot en klein
Ik
wou j'eens even spreken
Je
weet, dat ik je lijden mag
Je
moogt een potje breken
Al
neem je soms in 't hoenderhok
Een
deel van 't kostlijk eten
Ik
laat je altijd stil begaan
En
heb je 't nooit verweten
2.
Maar
sinds het graan op 't stoppelveld
In
schoven staat te drogen
Maak
jullie 't mij wat al te grof
Dit
kan ik niet gedogen
Ik
gun je graag een voedzaam maal
En
zie niet op wat koren
Maar
dat je zoveel graan vermorst
Dat
is niet naar behoren
3.
Je
pikt maar met je snavel wild
In
al die kostlijk' aren
En
of je duizend korrels strooit
Je
weet van geen bedaren
Ik
koop m' een splinternieuw pistool
En
zal je mores leren
Kwajongen
1.
Jij
bent een kwajongen,
Zo
is er niet een!
Zegt
dikwijls mijn moeder
Waar
moet het toch heen!
Je
kousen vol gaten
Je
broek nu weer stuk
Dat
vader niet thuis is
Dat
is je geluk!
2.
Jij
bent een kwajongen
Je
handen roetzwart
Je
pet in je broekzak
Je
haren verward
In
plaats van een veter
Een
touw in je schoen
Heb
'k ooit van m'n leven
Jij
kent geen fatsoen
Je
moest je wat schamen
3.
Jij
bent een kwajongen,
Een
Hollandse guit
Die
lacht al die "netheid"
Zo
hartelijk uit
Mijn
goed zit vol scheuren
Mijn
knieën zijn zwart
'k
Heb alles aan flarden
Maar
héél blijft mijn hart!
Kom,
moeder, niet mopp'ren.
Veel,
meer ,meest
1.
Wie
gaarne van zijn overvloed
Den
arme schenkt een matig deel
En
dat doet met een ned'rig hart
Zo
een doet zeker veel
2.
Wie
gaarne van zijn overvloed
Den
arme schenkt een matig deel
En
dat doet met een goedig hart
Die
heeft nog meer gedaan.
3.
Wie
gaarne van zijn overvloed
Den
arme schenkt een matig deel
Maar..
wie zelf het kleed der armoe draagt
En
een die armer is dan hij
Nog
bij wil staan met raad en daad
Die
doet het meest, geloof dat vrij
Die
doet het meest, geloof dat vrij
Moeders
verjaardag
1.
'k
Wilde u iets zeggen, Moeder,
Daarom
doe 'k het maar vandaag
Want,
het is thans uw verjaardag,
Dus
u hoort 't misschien wel graag.
Weet
U ik zeggen wou
Dat
'k zo heel veel van u hou
Weet
u wat ik zeggen wou
Dat
'k zo heel veel van u hou
2.
't
Is niet te geloven, Moeder,
Want
dan deed 'k u nooit verdriet,
Doe
'k soms net wat u niet goed vindt
Heus,
ik meen het dan zo niet
'k
Heb in stilte vaak berouw
Omdat
'k zoveel van U hou
'k
Heb in stilte vaak berouw
Omdat
'k zoveel van U hou.
3.
En
op uw verjaardag, Moeder,
Als
'k u wens geluk en vreugd,
Zie
'k u dankbaar in de ogen,
En
mijn hart voelt zich verheugd
't
Is om al uw zorg en trouw,
Dat
'k zo heel veel van u hou
't
Is om al uw zorg en trouw
Dat
'k zo heel veel van u hou.
Als
de boer wil dansen gaan
1.
Als
de boer, als de boer wil dansen gaan, tra-la-la, hop-sa-sa!
Dan
trekt ie z'n beste klompen aan, hop-sa-sa, tra-la-la
Dan
danst ie. dan springt ie van één-twee-e drie,
met
Leentje en Grietje van hop-sal-de-rie,
van
één-twee - e drie, van één-twee -e drie,
met
Leentje en Grietje van hop-sal-de-rie
2.
Als
de meid, als de meid wil dansen gaan, tra-la-la, hop-sa-sa!
Dan
trekt ze d'r mooiste rokjes aan, hop-sa-sa, tra-la-la
Dan
danst ze, dan springt ze van één-twee-e drie,
met
Teun en met Gerrit van hop-sal-de-rie,
van
één-twee -e drie, van één-twee-e drie
met
Teun en met Gerrit van hop-sal-de-rie
3.
Als
de knecht, als de knecht wil dansen gaan, tra-la-la, hop-sa-sa!
Dan
trekt ie z'n mooiste klompen aan, hop-sa-sa, tra-la-la
Dan
danst ie, dan springt ie van één-twee-e drie
Hij
danst in z'n ééntje van hop-sal-de-rie,
van
één twee-e drie, van één-twee-e drie
hij
danst in z'n ééntje van hop-sal-de-rie
Het
liedje van de zee
Daar
lei een scheepje al leize, Hallo Hallé
Daar
lei een scheepje al leize
En
zeilree voor de reize
Te
dobberen aan de ree
Het
scheepje rees, Het scheepje viel
Het
watertje kauwerde
Onder
de kiel: Hallo Hallé Hallo Hallé
Het
liedje van de zee
Hallo
Hallé
Een
lied
1.
Kom,
zing met mij mee een vrolijk lied,
Een
lied van 't blijde leven!
Een
lied voor kind, voor vrouw en man
Een
lied dat elk begrijpen kan
Een
lied, dat kracht zal geven!
Een
lied, dat kracht zal geven!
Een
lied dat elk begrijpen kan
Een
lied, dat kracht zal geven!
2.
Kom,
zing met mij mee een lustig lied,
Een
lied voor alle kringen
Een
lied, dat spreekt van blijden zin
Van
levensmoed en naastenmin
Een
lied, dat elk moet zingen!
Een
lied, dat elk moet zingen!
Een
lied, dat spreekt van blijden zin,
Een
lied, dat elk moet zingen
3.
Kom,
zing met mij mee een vreugde-lied
Zingt
allen dapper mede!
Een
lied, dat uit het harte klinkt
Tot
dat het heel de wereld zingt
Een
lied, een lied van vrede!
Een
lied, een lied van vrede!
Een
lied, dat uit het harte klinkt
Een
lied, een lied van vrede
Goê-nacht
1.
De
vogelkens alle zijn slapen gegaan
Ze
waren zo moe van het fluiten en slaan
Wat
doen er de vogelkens nu?
Ze
zitten nu zoet in hun nestjes en dromen
Van
bloemkens, die bloeien aan struiken en bomen
Refrein:
Slaap,
kindeke, zacht
Hei-a-douw-dij-ne
Goe-nacht,
mijn kleine
Goe-nacht
2.
De
bloemekens alle zijn slapen gegaan
Ze
waren zo moe van het open staan
Wat
doen er de bloemekens nu?
Ze
hou-en de blinkende blaadjes gevouwen
En
drinken de drupkens, die neerkomen dauwen
3.
De
bij-e-kens alle zijn slapen gegaan
Ze
waren zo zwaar van den honig be-laân
Wat
doen er de bij-e-kens nu?
Ze
dromen van bloemen, die suiker beloven
Ze
dromen van vogels, van muizen, die roven
4.
Nu
zijn er de ster-re-kens opgestaan
Ze
staken hun kleine lantarentjes aan
Wat
doen er de ster-re-kens nu?
Ze
zijn met hun lichtjes naar boven geklommen
Bewaken
de vogels, de bij-kens, de blommen.
Kijk
uit!
1.
Zeg
broer en zusje, als je wandelen gaat
Kijk
dan altijd goed uit
't
Is druk op straat
Met
auto's en fietsen, met kar en met paard
Ze
rijden en rossen met vliegende vaart!
Dus
broer en zusje, als je wandelen gaat
Kijk
goed uit, 't Is druk op straat.
2.
Zeg
broer en zusje, als je wandelen gaat
Loop
aan de rechter kant,
dan
kan het geen kwaad
Met
auto's en fietsen, met kar en met paard
Ze
rijden en rossen met vliegende vaart!
Dus
broer en zusje, als je wandelen gaat
Kijk
goed uit, 't Is druk op straat.
3.
Zeg
broer en zusje, als je wandelen gaat
Let
dan altijd goed op, want
't
Is gauw te laat!
Want
auto's en fietsen en karren en paard
Ze
rijden en rossen met vliegende vaart!
Dus
broer en zusje, als je wandelen gaat
Kijk
goed uit, 't Is druk op straat.
Die
gevaarlijke straat
1.
Wanneer
ik mij des morgens vlug naar school den te begeven
Roept
moeder mij nog vaak terug en zegt:
Neen,
luister even! Loop op 't trottoir nooit aan den rand
Moet
gij soms oversteken
Dan
eerst goed naar den linkerkant
Daarop
naar rechts gekeken
Dan
eerst goed naar den linkerkant
Daarop
naar rechts gekeken!
2.
Loop
toch op 't midden van den weg voor al niet rond te staren
En
speel er niet, mijn kind, ik zeg
Je
leeft steeds in gevaren!
En
bij een kruispunt, denk daar bij:
Wie
schuins loopt kan licht falen
Neen,
'k loop eerst recht naar d' overzij
En
moet dat straks herhalen
Neen
'k loop eerst recht naar d' overzij
En
moet dat straks herhalen
3.
Dat
zijn de lessen van mijn Moe, ook vader kan niet zwijgen
Maar
spreekt mij dikwijls ernstig toe
Als
ik mijn fiets wil krijgen
Houd
altijd rechts zoveel je kunt
Laat
alles links passeren
Wie
al die haasters voorrang gunt
Zal
menig onheil weren
Wie
al die haasters voorrang gunt
Zal
menig onheil weren
4.
Moet
gij naar rechts soms op uw gemak, de bocht moet klein genomen
Ligt
links de straat, neem wijd de bocht,
om
zo daar in te komen
Wijs
goed de richting aan,
dien
raad, Wil 'k u op 't hart nog drukken:
Wie
kalm, voorzichtig is op straat,
Voorkomt
veel ongelukken!
Wie
kalm, voorzichtig is op straat
Voorkomt
veel ongelukken!
Blondje
en Bruintje
1.
Twee
lieve kleine meiskes
D' één
blond en d' ander bruin
Die
hollenbolden samen
Door
't heerlijk Hollands duin.
Ze
renden van een hoogte af
In
mateloze draf
2.
Twee
lieve kleine meiskes
Die
hadden zo gestoeid
Het
hollen en het draven
Dat
maakte, dat maakte hen vermoeid
Toen
ging het op een sukkeldraf
De
hoge duinen af.
3.
Twee
lieve kleine meiskes,
Die
gingen 's avonds moe
Met
lome trage beentjes
Maar
gauw, maar gauw naar bedje toe.
De
oogjes in een tel
Bij
Blondje en Bruintje dicht.
Slaap
wèl!!
In
"De dorstige Prins"
1.
In
de dorstige Prins,
Het kroegje daarginds
Daar
pikte ik zo menig zoet graantje,
Dronk,
tijd of geen tijd,
Er
mijn dubbel gebeid,
Verleidelijk
lekker het kraantje
Ik
heb er geklonken
Bij
vedel en fluit
En
menigen duit
Heb
ik er ja, ja Fi-del-di, fi-del-da!
Heb
ik er verdronken Ach
ja!
Heb
ik er verdronken Ach ja!
2.
In
de dorstige Prins,
Het kroegje daarginds
Daar
kom ik nog dikwijls beneven
Dan
raas ik van spijt
In
het lor, dat daar leit
Zijn
al mijne stuivers gebleven!
De
waard op zijn muiltjes
Die
kuiert er voor
Maar
ik knijp er van door
Al
grinnikt ha,ha, Fi-del-di, fi-del-da!
Al
grinnikt hij vuiltjes Mij na
Al
grinnikt hij vuiltjes Mij na
3.
In
de dorstige Prins,
Het kroegje daarginds
Dat
kun je me zeker geloven
Daar
zonk in de kan
O
zo menig goeman
Allenig
de waard dreef naar boven
Ik
zag er bij 't klinken
Wel
ruiter en paard
En
hofstee en haard
In
't glaasje ra,ra! Fi-del-di, fi-del-da!
In
't glaasje verzinken Ach
ja
In
't glaasje verzinken Ach
ja
4.
Maar
de dorstige Prins
Het
kroegje daarginds
Dat
kan me niet langer bekoren
Ik
heb er mijn lust
Mijn
geld en mijn rust
In
't bodemloos vaatje verloren
De
waard met zijn bende
Die
speelt er niet meer
Van
mijn loontje mooi weer
Als
ik van la,la
Fi-del-di, fi-del-da!
Als
ik van ellende Verga!
Als
ik van ellende Verga!
De
zieke hond
Onze
hond die was ziek
't
Is bepaald rimmetiek , Zei de kat, zei de kat
En
de poes, op een hol,
Haalde
een heel flesje vol Medicijn, medicijn
Als
't u blieft, sprak de poes,
Drink
nu op, lieve Does,
't
Is zo goed.
En
de hond nam een slok
Dat
het klonk als een klok
't
Flesje leeg, 't flesje leeg.
Eén,
twee, drie ging de pijn
Voor
ons poesjes medicijn
Op
de vlucht, op de vlucht
En
zo werd onze hond
In
een wip weer gezond
Door
de poes
Schoon
genezen door een kat
Zeg
geloven jullie dat?
Ikke
niet, ikke niet, ikke niet
Sinterklaasliedje
1.
Zeg,
heb je 't al vernomen
Sint
Nicolaas is gekomen
Je
kunt het aan de winkels zien
Die
open zijn tot over tien
Hoezee,
hoezee, hoezee!
Ik
moet er 's nachts van dromen
Ik
moet er 's nachts van dromen!
2.
Hij
rijdt langs alle wegen
Door
straten en door stegen
's
nachts klimt hij boven op het dak
Kruipt
door de schoorsteen met gemak
Hoezee,
hoezee, hoezee!
Geen
kachel houdt hem tegen
Geen
kachel houdt hem tegen!
3.
Zet
dus je klomp maar neder
Je
vindt hem 's morgens weder
Misschien
wel vol met lekkernij
Of
anders met een roe er bij
Hoezee,
hoezee, hoezee!
Zet
dus je klomp maar neder
Zet
dus je klomp maar neder
Sinterklaasfeest
1.
Jongens
heb je 't al vernomen?
Zeg
wij krijgen hoog bezoek
Straks
zal Sinterklaas hier komen
Kijk
zus kruipt al in een hoek
Kom,
sliep uit, wij vrezen niet
Zijn
niet bang voor Zwarte Piet
Kom,
sliep uit, wij vrezen niet
Zijn
niet bang voor Zware Piet
2.
'k
Hoor de bel, daar komt hij binnen
Spreekt
ons allen vriend' lijk aan
Als
hij zit, dan overwinnen
We
alle vrees, gaan bij hem staan
En
ons zusje? Nee maar, zie
Staat
zo waar vlak bij zijn knie
En
ons zusje? Nee maar, zie
Staat
zo waar bij zijn knie
3.
Nu
gaat hij ons eens wat vragen
Wijst
daarbij op Zwarte Piet
Maar
wij kunnen 't best verdragen
Deden
moeder nooit verdriet
Lachend
springt dan iedereen
Vrolijk
om Sint Niklaas heen
Lachend
springt dan iedereen
Vrolijk
om Sint Niklaas heen
4.
En
daar wordt de zak ontsloten
Sinterklaas
geeft elk zijn deel
Zwarte
Piet strooit pepernoten
Grabbelen
of je krijgt niet veel
En
bij 't afscheid klinkt ons lied
Leve
Sinterklaas en Piet!
En
bij 't afscheid klinkt ons lied
Leve
Sinterklaas en Piet
Maartse
buien
Hoor
je ze jagen, de Maartse vlagen
In
woeste vlucht?
Zie
je ze kruien, die donkere buien
Hoog
in de lucht?
Hoor
je ze luiden - Wat wil het beduiden?
Van
klokjes fijn?
Zie
je ze dansen, die blijde glansen
Van
zonneschijn?
Zie,
't is de grimmige Winter,
die
wacht, maar verdwijnt
Zie,
't is de schuchtere Lente,
die
lacht,--- en verschijnt!
Sneeuwklokje
1.
Wat
is dat daar, jou kleine guit
Kom
jij nú al je bedjes uit?
Blijf
warmpjes nog wat in den grond
Want
als de boze wind je vond
Hij
beet je dood!
2.
Wij
hebben nog ons jasje aan
Jij
komt daar zo maar buiten staan
Je
groene mutsje los, jou guit
Je
witte kopje je kijkt er uit
Zo
bleek en bloot!
3.
Ik
ben er niets bang voor den boze wind
'k
Vertel van de lente, mijn lieve kind
Mijn
klokje luidt zachtkens over de grond
En
wekt er de bloempjes, die slapen in 't rond
Ten
beddeken uit.
Nu
weet je wel, wat mijn vroeg luiden beduidt
Voorjaar
Te
voorschijn nu, o Lentezon!
Verkwik
ons met je stralen
We
snakken naar je warme gloed
Verlos
ons met bekwamen spoed!
Van
onze winter kwalen
Te
voorschijn nu,--
Lentezon!
We
zijn zo moe van 't niezen
Gans
uitgehoest en uitgekucht
Verlangen
we naar voorjaarslucht
Laat
ons niet langer kniezen
Te
voorschijn nu,-- o voorjaarsplicht
En
laat ons van je gloed en licht
Weer
dankbaar eens genieten.
Lente
1.
Lang,
lang, dreigend en bang
Moge
de winterkou zijn
Moge
de winterkou,
moge
de winterkou
zijn
lente de bruid
Klokjes
van lente de bruid
wit
porcelein
Straks
luidt lente de bruid
Klokjes
van wit porcelein
2.
Zacht,
zacht drijft ze de nacht
Weg
van het slapende land
Weg
van het slapende
weg
van het slapende land
buigt
ze zich neer
Wekt
ze de bloem in de plant
Nu
vlagt er de Lente
1.
Nu
vlagt er de lente,kom mee!
Al
zou ook de tocht je vermoeien
Daarginds
bij de duinen ver van de zee
Daar
staan nu de bollen te bloeien
Die
velden te zien is een prachtig gezicht
't
Zou zonde zijn als je 't verzaakte
Elk
bloemetje is op zichzelf een gedicht
Een
hymne aan Hem, die het maakte.
2.
Wij
naderen reeds, naar ons toe is de wind
De
geur reeds benevelt je zinnen
Daar
zijn ze de velden - je staat als verblind
Wat
moet je daar plots mee beginnen!
O,
Zie toch, o zie me die velden eens aan
Hoe
rijk zich schakeren die kleuren
Wie
heeft al die kelkjes wel open gedaan?
Je
zwijgt bij zo wonder gebeuren.
3.
Zie!
Rood, wit en blauw, dat 's de vlag van je land
En
ginds nog den wimpel Oranje
Zoek
dat nog eens elders met je verstand
Al
ging je ook zoeken in Spanje
Geen
land hier op aard, dat een schouwspel je biedt
Als
't onvergetelijke Holland
Dat
vind je in Zweden of Zwitserland niet
Dat
vind je alleen maar in Holland!
Lentezonnetje
1.
't
Lentezonnetje is gekomen
tovert
groen weer aan de bomen
Strooit
in tuin, in veld, langs wegen
mild
een bonte bloemenregen
geeft
natuur een wondere pracht
weelde,
schoonheid, jeugd en kracht
't
Lentezonnetje spreidt zijn schoon
spreidt
zijn schoon alom ten toon
2.
't
Lentezonnetje speelt door 't lover
sprankt
door bos zijn lichtgetover
dartelt
over blad en bloemen
streelt
de bijen die zachtjes zoemen
zet
natuur in wondre pracht
schenkt
de wereld jeugd en kracht
't
Lentezonnetje spreidt zijn schoon
spreidt
zijn schoon alom ten toon
3.
't
Lentezonnetje zendt zijn stralen
over
heuveen en door dalen
schijnt
verlokkend door de ruiten
noodt
zo vriend-lijk
schouw
natuur in wondere pracht
loof
haar schoonheid
Kom
naar buiten
schouw
natuur in wondere pracht
loof
haar schoonheid
jeugd
en kracht!
't
Lentezonnetje spreidt zijn schoon,
spreidt
zijn schoon alom ten toon
De
winter is voorbij
1.
De
winter is verdwenen
Thans
lacht de lieve Mei
De
bloempjes zijn verschenen
Dat
stemt ons hart weer blij
De
winter met zijn vlagen
Zijn
koude, scherpe wind
Zal
ons niet langer plagen
De
Mei is onze vrind
2.
De
leeuwerik stijgt naar boven
En
jubelt hoog zijn lied
Wij
willen met hem loven
Wat
gul de Mei ons biedt
Luid
klinken onze zangen
De
schone Mei ter eer
Hij
stilde ons verlangen
Naar
zachter, mooier weer.
3.
Wij
willen Mei-feest vieren
Al
in het groene gras
Met
bloemen ons versieren
Als
of het bruiloft was
Wij
dansen en wij springen
En
dartelen door de wei
Terwijl
we lustig zingen
Een
loflied op de Mei!
Mei
1.
De
Mei is gekomen
De
Mei is in 't land
Ze
toeft in de bossen en zweeft over 't strand
De
mensen, zij zingen en voelen zich blij
De
jeugdigen springen
Want
't is immers Mei!
2.
We
gaan thans het woud in
Naar
strand of naar zee
En
voeren de lieflijke Mei met ons mee
De
tred wordt veerkrachtig
we
voelen ons vrij
En
't hart gloeit van vreugde
In
heerlijke Mei!
Als
de bloemen dromen
1.
Als
de bloemen dromen
In
den stillen tuin
Als
de vogels dommelen
Hoog
in bomenkruin
Daalt
er over 't water
Als
op vleugels zacht
Vol
van teer gedachten
Stille
vredenacht
Stille
vredenacht
2.
Bloemen,
half geloken
In
hun zoete rust
Worden
door het windje
Zacht
en stil gekust
En
bij 't morgen krieken
Als
zij open gaan
Blinkt
in ieder hartje
Teer
een vreugdetraan
Teer
een vreugdetraan
Zomer
1.
In
den zomer rond te dwalen
Door
bossen, in de heide
Langs
de akkers, over weiden
Welk
genot kan daarbij halen
Daarom
zingen wij verblijd:
Heil
u, mooie zomertijd!
Daarom
zingen wij verblijd:
Heil
u, mooie zomertijd!
2.
Alles
lacht ons vriendelijk tegen
't
Groen der bomen, pracht van bloemen
Keur
van vruchten, niet te noemen
't
Al schenkt ons een rijken zegen
Daarom
zingen wij verblijd:
Heil
u, mooie zomertijd!
Daarom
zingen wij verblijd:
Heil
u, mooie zomertijd!
3.
Frisse
lucht en schone dreven
Doen
verheugd ons ademhalen
Doen
ons steeds herhalen
Van
het heerlijk buitenleven
Daarom
zingen wij verblijd:
Heil
u, mooie zomertijd!
Daarom
zingen wij verblijd:
Heil
u, mooie zomertijd!
O,
Zomer!
1.
O,
zomer, mooie zomer
Wat
geeft g'ons toch veel pret!
'k
Speel den dag en droom er
Des
nachts van in bed
O
zomer, o zomer, o zomer!
2.
We
dwalen langs de paden
Van
't koele schaduwwoud
Daar
glanst door d' eikebladen
Zo
warm uw zonnegoud
O
zomer, o zomer, o zomer!
3.
Daar
zien we 't beekje snellen
Door
't groen langs grint en kei
Daar
zweven de kapellen
Zo
kleurig ons voorbij
O
zomer, o zomer, o zomer!
4.
Och
zomer, 'k wou je vragen
Al
blijf je soms eens weg
Kom
met vakantiedagen
Toch
even over zeg
O
zomer, o zomer, o zomer!
Herfst
Rood
en goud,
rood
en goud
Zijn
de kleuren van het woud
Rode
beuken, gouden berken
Delen
't bos in bonte perken
Rood
en goud
rood
en goud
Zijn
de kleuren van het woud
Goud
en rood, goud en rood
Dwarrelt
neer in greb en sloot
Rode
wingerd, gulden linde
Netelblad
en heggenwinde
Goud
en rood
Voeren
't bos ten najaarsdood
Als
de gele blad'ren vallen
1.
Zeg
blaadjes, waar wil je naar toe?
Je
sliert en draait er zo wild door de lucht
Je
zwiert en je zwaait, Zeg ga j'op de vlucht?
Waar
naar toe?
Zeg
denk je dat jullie ook vogeltjes zijt
En
mee moogt naar 't zonnige land
Waar
de zangertjes wonen 'in de wintertijd?
Zeg
kiest er een anderen kant
De
wind komt en drijft jullie spottend uiteen
En
lacht om je dolle gezwier
Ach,
hij duikelt je neer in een sloot of plas
Zóó
boet je je dolle plezier
Neen,
daalt maar en spreidt saâm een dekentje neer:
Het
zaadje, het beidt
Er
je warmte zoo zeer
Dekt
het toe!
Zeg
blaadjes daar moet je naar toe!
Netelblad
en heggenwinde
Goud
Het
lied van den wind
1.
Hoort
gij hem bezig en woelende wind?
Ei,
die maakt ons zo vrolijk gezind!
Daar
in de schoorsteen bromt hij de bas
oe
- oe
Of
vedelt aan 't venster met grappige kras
Hoort
gij den wind?
Hoort
gij den wind?
oe
- oe
In
het bos is hij los
Hoe
hij ruist, hoe hij bruist door het hout, door het hout!
Dat
is zijn leven, daar is hij stout
De
bomen zijn vrienden waarvan hij houdt!
Dat
is zijn leven, daar is hij stout
2.
Kijkt
in de lucht, daar vermaakt zich de wind
Al
de wolken verjaagt hij gezwind!
Ga
op het strand eens, zij gij niet bang?
oe
-oe
Ge
ziet hem al weder goed aan den gang
Ziet
gij dat schip?
Ziet
gij dat schip?
oe
- oe
't
Is een spel, hoe het snel
Daar
maar zwiert en maar giert door de zee, door de zee
Kom
naar den Oost, - de zeilen zijn ree!
Wij
zingen hoezee en de wind is ons mee!
3.
Soms
is hij boos en dan maakt hij veel stof
Oef!
Wij moeten gelijk uit den hof!
En
onze weerhaan draait op zijn spil
oe
oe
De
wind laat den sukkel geen ogenblik stil
Hoort
gij den wind?
oe
- oe
Hoe
hij bromt, hoe hij gromt
Hoe
hij blaast, hoe hij raast, hoe hij fluit, hoe hij fluit!
Ga
maar uw gangen, olijke guit
Wij
zijn thuis en lachen u uit
Ga
maar uw gangen, olijke guit!
Wij
lachen u uit!
Meeuwen
Hangend
in de lage luchten
Waaien
witte meeuwen vluchten
Met
de winden mee
Krijsend
uit rauwe kelen
Is
't of die vogels spelen
Met
de wind, de zee
Gierend,
zwierend; dan weer kerend
Raak-lings
langs een golf-top scherend,
Wijd
de wieken uit
Plotsling
plonzend in de golven
Onder
bruisend schuim bedolven
Vinden
zij hun buit
Hangend
in de lage luchten
Waaien
witte meeuwen vluchten
Langs
de wijde zee
Zwierend
langs de lage kusten
Al
maar verder, zonder rusten
Met
de winden mee
Sneeuwliedje
1.
Zie,
de sneeuw zo zacht en zuiver,
tintelt
als kristal!
En
het is zo blank en vredig
hier
en overal!
En
hoe klinkt zo wijd en helder
ieder,
ieder fijn gerucht
Ergens
beiert er een kloksken
in
een ver gehucht
2.
Al
de grote stille bomen, beuk en eik en els
Dragen
om hun hoge leden elk een witte pels
Door
de boslaan gaan mijn voeten
o,
zo, o, zo blood 'en zacht,
Is
het niet om voor te knielen
deze
stille pracht?
Sneeuwbui
1.
Een
zachte val
Van
duizend tal
Dier
wonder witte vlokken
Eén
suizeling, Eén duizeling
Van
wilde watten brokken
2.
Eén
dolle dans
De
wereld thans!
't
Is dwar'ling aller wegen!
Omhoog,
omlaag
Het
is gestaag
Eén
vlucht-ge vlokkenregen
3.
Op
schuur en huis
De
zachte pluis
Op
velden en op wegen
Komt
meer en meer van donzen veer
Een
deken neer gezegen
Rijp
1.
De
winterkaboutertjes hebben vannacht
De
wereld met zilver behangen
De
tuin lijkt een sprookje in ' t wit gewaad
Gereed
om een fee te ontvangen
2.
De
takken der bomen, gist'ren nog kaal
Ze
zijn nu omkranst en bepereld
De
paden zijn wit en alles lijkt wel
Eén
wond're sprookjeswereld!
3.
Daar
komt nog de zon en laat er haar licht
Blij
blinken naar alle kanten
Het
glinstert en schittert alom en 't is nu
Eén
wereld van diamanten!
Plantlied
1.
Hoezee!
van is 't feest der jeugd
Wij
trekken blij naar buiten
Waar
alles tintelt nu van vreugd
En
blijde vogels fluiten!
Wij
nemen vork en spa ter hand
Bewerken
flink de aarde
En
fluks is menig boom geplant
Het
wordt een hele gaarde!
2.
Wij
planten bomen, elk doet mee
Tot
sieraad onzer wegen
En
uit ons harte stijgt de bee
Zij
groeien door Gods zegen
Hun
kruinen worden breed en hoog
Met
schaduwrijke bladen
Wij
houden zelf een wakend oog
Als
ruwheid ze wil schaden
3.
Groei
voort dan, fiere bomenrij
Bot
uit in tak en twijgen!
Laat
uit uw loverdak steeds blij
Der
vog'len danklied stijgen
En
zoeken wij, van dagtaak moe
Uw
lommerrijke dreven
Wuift
gij dan, bomen, koelt'ons toe
Wilt
rust en vrede ons geven
Plantlied
2
1.
Zeg
jongens en meisjes de feestdag is daar
Zolang
door ons allen verwacht
Wij
trekken er vrolijk op uit met elkaar
Want
schoon is de taak, die ons wacht
Wij
denken vandaag aan geen schrift en geen boek
Wij
zetten het leren aan kant
Want
wij zijn vandaag in het bos op bezoek
Door
ons worden bomen geplant.
2.
Wij
nemen de vork en de spade ter hand
Bewerken
vol ijver de grond
En
spoedig is menig boompje geplant
Verrijst
er een bos in het rond
En
wande'len we later dan hier nog eens heen
Dan
zeggen we dankbaar en blij
Wat
is het toch heerlijk dit bos in te treên
Dit
bos, mee-geplant door mij
2.
En
als dan de schaduw verkwikking ons biedt
Van
schoonheid en vreê alles spreekt
Als
klinkt in 't geboomte het vogelenlied
Dat
lieflijk de stilte verbreekt
Dan
vindt in dit lustoord de grijsheid en jeugd
Genot,
dat de zorgen verbant
En
wij, ja ook wij delen mee in de vreugd
Van
't bos, door ons samen geplant
Oogstlied
1.
Sikkels
blinken, Sikkels klinken
Ruisend
valt het graan
Zie
de bindsters garen
Zie
in lange scharen
Garf
bij garven staan
Garf
bij garven staan
2.
't
Heter branden, Op de landen
Meldt
de middagtijd
't
Windje moe van 't zweten
Heeft
zich schuil begeven
En
nog zwoegt de vlijt
En
nog zwoegt de vlijt
3.
Blijde
maaiers, Nijvere zaaiers,
Die
uw loon ontving
Zit
nu rustig neder
Galm'
het mastbos weder
Als
gij juichend zingt
Als
gij juichend zingt
4.
Slaat
uw ogen, Naar de hogen
Alles
kwam van daar!
Zachte
regen daalde
Vriend'
lijk zonlicht straalde
Mild
op halm en aar
Mild
op halm en aar
Als
gij juichend zingt!
Klip
Klap Klop
1.
Het
boertje bindt zijn schoven los
En
spreidt de deel vol halmen
Dan
grijpt hij ferm z'n vlegel vast
En
gaat het zonder talmen
2.
De
vlegel hoog
En
met een boog
Ploft
hij op d' aren neder!
Een
wijde zwaai
Een
korte draai
Klip
Klop! daar valt hij weder
3.
Op
halmen grof
Klinkt
't plof! plof!
Het
stof stuift door de slagen
Wel
meters hoog
Om
met een boog
De
schuurdeur uit te jagen
4.
Het
graan, wipt
En
hupt en hipt
Voort
onder slagenregen
Ons
boertje zweet
Dat
werk maakt heet
Geen
nood, hij kan er tegen!
De
mulder
1.
Het
windje waait
De
molen draait
Dat
is den mulder zijn leven
Het
windje waait,
De
molen draait
Dat
is den mulder zijn leven
Hij
ligt het hoge venster uit
Terwijl
hij lustig een deuntje fluit
Hij
ligt het hoge venster uit
Terwijl
hij lustig een deuntje fluit
Het
windje waait
De
molen draait
Dat
is den mulder zijn leven
Het
windje waait
De
molen draait
Dat
is den mulder zijn leven
2.
De
wind, de wind
Is
mulders vrind
Zijn
molen moet er van draaien
De
wind, de wind is mulders vrind
Zijn
molen moet er van draaien
Hij
zingt altijd, de witte man
Daar
rookt bij ons de schoorsteen van
Hij
zingt altijd, de witte man
Daar
rookt bij ons de schoorsteen van
De
wind, de wind is mulders vrind
Zijn
molen moet er van draaien
De
wind, de wind is mulders vrind
Zijn
molen moet er van draaien
Smidslied
1.
De
smid, ha de smid is aan 't smeden, aan 't smeden!
Hoe
davert zijn hamer beneden, beneden!
Hij
slaat, dat de smidse er van dreunt
Terwijl
hij zijn liedeke deunt:
't
IJzer is warm, Staal in den arm!
't
IJzer is heet, Lastig gesmeed!
't
IJzer is heet, Lustig gesmeed!
2.
Hij
blaast en daar sprankelen vonken, ja vonken
In
't vuur ligt het ijzer verzonken
Weldra
is het weder in gloed, weer in gloed
Hij
zingt met nog meerderen moed:
't
IJzer is warm, Staal in den arm!
't
IJzer is heet, Lastig gesmeed!
't
IJzer is heet, Lustig gesmeed!
In
de smidse
1.
Wat
is het fijn Een smid te zijn
Denkt
Piet en gluurt naar binnen
Daar
smeedt baas Flink, Rink - kink, rink - kink
De
bouten en de pinnen
Rink-kink!
rink-kink!
2.
Het
vuurtje rookt
De
knecht die stookt
En
trekt de blaasbalg stevig
Al
op en neer
Gaat
't telken keer
Wat
brandt het vuur nu hevig!
Rink-kink!
rink-kink!
3.
Hoe
lustig gaat
Het
in de maat
Het
smeden en het ronken
De
blaasbalg kreunt
Het
aambeeld dreunt
En
trilt bij 't felle bonken
Rink-kink!
rink-kink!
Het
schoenmakertje
1.
Baas
Klopstra die zat in zijn schoenmakerij
En
floot zijn liedeke lustig en blij
Hij
was een vrolijke klant
Had
aan treuren het land
Hij
stikte
En
tikte
Hij
lapte
En
klapte
En
zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant!
En
zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant!
2.
Klopstra
was achter in't kamerke klein
En
zong voor haar kindje van die-re-don-dijn
Zij
was een vrolijke klant
Had
aan treuren het land
Zij
waste
En
plaste
Zij
klopte
En
stopte
En
zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant!
En
zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant!
3.
Het
kindje, dat lag in zijn wiegeke rein
En
luisterde stil naar 't ge-di-re-don-dein.
En
zijn Vader en Moeder
Die
werkten maar toe
Hij
lapte
En
klapte
Zij
waste
En
plaste
En
't kindje deed d'oogjes maar toe
En
't kindje deed d'oogjes maar toe!
Wat
heerlijk om chauffeur te zijn
1.
Wat
heerlijk om chauffeur te zijn!
Men
suist door veld en lanen
En
gaat zich met een reuzenvaart
zijn
weg door 't leven banen
Geef
luid signaal, Chauffeur
Geef
acht en maak geen misbruik van uw kracht!
2.
Wat
heerlijk om chauffeur te zijn!
Men
tuft door stad en dreven
In
winterweer of zomertijd
Het
is al om het even
Want
op een sterken autoband
chauffeert
men door het ganse land.
3.
Wat
heerlijk om chauffeur te zijn!
Daar
zou men veel voor geven
zo´n
geurige benzinelucht
veraangenaamt
het leven
Al
is ons landje nog zo klein
Toch
is ´t goed chauffeur te zijn.
Marslied
1.
Dichter
bij de bossen
Dichter
bij de velden
Dichter
bij de bloemen in de wei
Al
de kleine sprookjes
Die
ze ons vertelden
Blijven
ons in later leven bij!
We
laten de stad
Voor
wat ze is
Het
is er wel mooi
Maar
nooit zo fris
Nooit
zo fris als daar
Waar
de bonte vlinders stoeien
Om
de perelaar. We laar
2.
Dichter
bij de velden
Dichter
bij de wolken
Dichter
bij het leeuwerikken -lied
Wij
gaan met z´n allen
Bos
en hei bevolken
Beter
soort ontspanning is er niet
We
zijn al op mars gezond en fris
En
niemand zit dwars
Hoe
ver het is.
Ver
is het alleen voor Jan Sa-lie´s achterneven
Nou,
dat is er geen. We geen.
Kamperen
1.
Is
het weer niet altijd zonnig
Regent
het soms dat het giet
Zijn
er niets dan grijze wolken
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
2.
Zijn
je kleren niet te netjes
Zie
j' er uit als een bandiet
Poets
je in geen weken je schoenen
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
3.
Ben
je nat van top tot tenen
Als
je soms de beek inschiet
Heb
je dan geen droge kleren
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
4.
Brand
je soms een keer je handen
Als
je aardappels afgiet
Snij
bij ´t jassen in je vingers
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
5.
Als
het vlees niet bijster gaar is
En
de jus ´r wat vreemd uit ziet
Als
je zand eet met spinazie
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
6.
Als
de piepers soms verbrand zijn
En
het is toch geen pommes frites
Als
de rijst met krenten koud is
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
7.
Zit
je mandolien te spelen
En
je zingt het hoogste lied
Zo
dat alles op de vlucht slaat
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks niet!
Hindert
zo iets niet!
8.
Als
de kamptijd op zijn eind loopt
En
je beurs raakt in de knel
En
je moet dan honger lijden
Bij
't kamperen geeft dat niet
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen
Hindert
zo iets vreeslijks wèl
Hindert
zo iets wèl!
Kampeerlied
1.
Als
de schooldeur wordt gesloten
Na
een zware proefwerktijd
Gaan
we allen uit kamperen
Zijn
van alle zorg bevrijd
Want
de zwervers en de trekkers
De
kampeerders dat zijn wij
Want
de zwervers en de trekkers
De
kampeerders dat zijn wij
2.
Wie
ons fleurig troepje gaan ziet
Bruin
gebrand door zon en wind
Zwaar
bepakt en vrolijk zingend
Niemand
die vermoeid ons vindt
Want
de zwervers en de trekkers
De
kampeerders dat zijn wij
Want
de zwervers en de trekkers
De
kampeerders dat zijn wij
3.
Zijn
we heel den dag druk bezig
Zijn
we vol van levenslust
's
Avonds om het laaiend kampvuur
Komen
allen weer tot rust
Want
de zwervers en de trekkers
De
kampeerders dat zijn wij
Want
de zwervers en de trekkers
De
kampeerders dat zijn wij
Kamp-optimisme
1.
Het
waait het waait, hallo ons hindert dat niet
Het
stormt het stormt, de vreugde vermindert nog niet
Het
plast en het plonst, het klettert maar neer en het giet
Al
razen orkanen, bij ons geen verdriet
Zijn
wij kampeerders of zijn wij dat niet?
Ons
hindert dat allemaal helemaal niet!
2.
De
tent de tent, poreus dat hindert ons niet
De
pret de pret, o heus die vermindert nog niet
Al
lang is 't geleen, dat 't zonnetje ons allen verliet
't
Is overal water, waarheen je ook ziet
Zijn
wij kampeerders of zijn wij dat niet?
Ons
hindert dat allemaal helemaal niet!
3.
Hallo,
hoezee, het zonnetje laat zich weer zien
De
zon de zon, wij hebben weer drukte voor tien.
Doe
open de tent, voorbij is ons aller verdriet
Wij
gaan weer naar buiten en zingen ons lied.
Zijn
wij kampeerders of zijn wij dat niet?
Ons
hindert dat allemaal helemaal niet!
Marslied-2
1.
Op,
makkers op, de velden in
Gedwaald
door veld en dreven
Vooruit
op pad met blijden zin, blijden zin
Op
de velden in, velden in
Vooruit
op pad met blij gemoed
Voorwaarts,
voorwaarts langer niet gedraald
Een
lustig lied als morgengroet
Krachtig
uitgehaald
Hoe
zingt het vrolijk vogelkijn
Zijn
jublend lied van twijg en tak
Zijn
zang van liefd'en zonneschijn
Doortrilt
het loverdak
Op
makkers op, Op makkers op! Voorwaarts mars!
2.
Waar
men ook kijkt, waar men ook wijkt
't
Is fleur en kleur en leven
In
bos en hei, in veld en wei, veld en wei
Lacht
nu alles blij, alles blij
Ja
lacht van vreugd en vrolijkheid
Lacht
van leven, lieven en jolijt
Van
weelde, schoonheid, wondre pracht
Levenslust
en kracht
Natuur
lokt nu de velden in
Vooruit
op pad met blijden zin
Uw
lustig lied weerklink joe-chci
Weerklink
door bos en hei
Op
makkers op, Op makkers op! Voorwaarts mars!
Corvée
in 't kamp
1.
Water
sjouwen
Dekens
vouwen
'k
Heb vandaag corvée
Vaten
wassen
Aar-pels
jassen
Jongens,
't valt niet mee
2.
Vuurtje
stoken
Potje
koken
Hakken,
ha-m'ren, slaan.
Dekens
kloppen
Sokken
stoppen
't
Komt er wel op áan.
3.
Vogels
fluiten
Fijn
daar buiten
Maar
ik mag niet mee
Lopen,
draven
Werken,
slaven:
'k
Heb vandaag corvée!
Komt,
laat ons zingen
Canon
Komt,
laat ons zingen!
zingen
in koor.
Dat
fris en blij ons lied weer-klink'!
Wij
stemmen allen in. Begin!
Afscheid
Canon
't
Ga je goed
Tot
wederziens!
Ben
j'ook ver,
Denk
nog eens aan mij!
Oude
spreuk
Canon
Eer
wij wat weten, wat weten,
zijn
wij versleten, versleten,versleten.
Eer
wij wat weten, zijn wij versleten.
Trekkerslied
1.
Ons
lokt het verre geruis van de zee
En
de glin-st'rende zon op de golven
Dan
deint onze zang met de branding mee
Langs
het blinkende strand van de bruisende zee
Met
de dansende zon op de golven
Trek
op, kameraden. de wereld zij wacht
In
heel haar wondere schoonheid
Trekt
op naar de heerlijke, glinstrende pracht
Die
de zee en de duinen ten toon spreidt.
2.
Ons
lokt de wijde, de paarsrode heide
Waar
de brommende hommels zoemen
De
roep van de vogels, die volgen wij
Langs
de rossige gloei-ing der bloeiende hei
Waar
de gonzende hommels zoemen
Trekt
op, kameraden, de wereld zij wacht
In
heel haar wondere schoonheid
Trekt
op naar de heerlijke, pralende pracht
Die
de bloeiende wereld ten toon spreidt.
Kamperen
in de duinen
1.
Een
lied, een lied, een vrolijk lied!
Dat
hoort, want kommer en verdriet
Zijn
hier in 't duinen verbannen
Als
trouwe makkers wonen wij
In
onze tent van zorgen vrij
Tracht
elk zich hier te ontspannen
Van
's morgens vroeg tot 's avonds laat
Juicht
heel ons troepje in de maat
O,
blonde duinen, weest gegroet
Wat
kun je meer begeren
Dan
één van zin met blij gemoed
In
't duinland te kamperen
2.
Elk
kent zijn taak, ja dat staat vast!
En
trouw dient daar wel op gepast
De
zaak is goed besproken:
Wie
't kampvuur stookt, wie water haalt
't
Werd alles juist door ons bepaald
En
wie de pot zal koken
Al
brandt er soms wat aan,
nou
ja, Wij smullen toch en zingen dra:
O,
blonde duinen, weest gegroet
Wat
kun je meer begeren
Dan
één van zin met blij gemoed
In
't duinland te kamperen
3.
Aan
gind-sen duinvoet lokt de zee
En
wie doet daaglijks graag niet mee
Aan
't baden, plassen, stoeien
Tot
klimmen klaut'ren steeds bereid
Gaan
wij straks dwalen wijd en zijd
Wie
denkt er aan vermoeien
Om
't kampvuur 's avonds toeft de rust
En
dankbaar zingen wij met lust:
O,
blonde duinen, weest gegroet
Wat
kun je meer begeren
Dan
één van zin met blij gemoed
In
't duinland te kamperen
Wandellied
1.
Als
zomerzonne lachend schijnt en tuin en velden
Dan
trekken wij de velden in, is wand'len onze lust!
De
vogels heffen deuntjes aan, de visjes spart'len blij
Hoe
heerlijk is geheel natuur, wat voelen w'ons toch vrij
Hoe
heerlijk is geheel natuur, wat voelen w'ons toch vrij
2.
We
vlechten bloemen tot een krans en zingen luid ons lied
De
kikkers kwaken in de sloot, de eendjes in het riet!
En
als we moe gewandeld zijn, dan leggen w'ons in 't gras
De
hemel is zo smetloos blauw, het beekje klaar als glas
De
hemel is zo smetloos blauw, het beekje klaar als glas
Naar
het bos
1.
We
trekken vrolijk naar het bos
Naar
't bos in zomertooi
Daar
bloeit zo menig bloementros
Aan
't smalle pad begroeid met mos
En
door der twijgen bladerdos
Klinkt
vogelzang zo mooi.
2.
We
laten graag de stad alleen
Die
straten, grijs van stof
Daar
waait nooit zuivere wind doorheen
Daar
is 't zo nauw, zo eng, zo kleen
Daar
zie je niets dan dorre steen
Van
muren grauwen dof.
3.
Maar
hier is lucht in overvloed
Vol
reuken van het hout
Die
dennengeur geeft krachtig bloed
Zet
dus je borst uit, rept den voet
En
zingt bij 't wand'len welgemoed
Een
lied ter eer van 't woud.
Wandellied
2
1.
Wie
wand' len wil met blijden zin
Hij
zing' een lied daarbij
En
trek' de wijde wereld in
Daar
buiten aêmt men vrij
Daar
buiten aêmt men vrij
Uit
alles klinkt de welkomstgroet:
O,buiten
is 't zo goed
O,buiten
is 't zo goed.
2.
Komt
allen lustig voortgetreên
Wij
gaan langs veld en hei
Daar
zweven geuren om ons heen
Daar
zweven geuren om ons heen
't
Is nu het schoonst getij
Hoe
vrolijk klinkt de jubeltoon:
O,buiten
is 't zo goed
O,buiten
is 't zo goed.
3.
En
ginder wenkt het groene bos
Daar
wacht ons nieuwe lust
Wij
vleien ons op 't zachte mos
Een
korte wijl ter rust
Een
korte wijl ter rust
O,
waar men toeft of toeven zal
't
Is buiten 't best van al
O,
waar men toeft of toeven zal
't
Is buiten 't best van al
Onze
schoolreis
1.
Hoezee!
wij gaan naar buiten
Nu
brak de feestdag aan
Maar
wat wij vast besluiten
Wanneer
w' op reis thans gaan
Vandaag
mag niemand klagen
Geen
twist, geen zuur gezicht
Wie
ons daar mee wil plagen
Vergeven
wij 't niet licht
Vergeven
wij 't niet licht
Vooruit,
vooruit de pas er in
Dat
gaat eerst recht naar onze zin
En
iedereen juicht vrolijk mee
Naar
buiten nu, hoezee! Hoezee! Hoezee!
2.
't
Was al maar sparen, sparen!
Dat
ging zo week op week
Mijn
heet zou 't goed bewaren
Wat
ons wel 't veiligst leek
Wij
willen recht genieten
Of
't gaat met boot of trein
Dat
kan ons niet verdrieten
Als
wij op reis maar zijn
Als
wij op reis maar zijn
Vooruit,
vooruit de pas er in
Dat
gaat eerst recht naar onze zin
En
iedereen juicht vrolijk mee
Naar
buiten nu, hoezee! Hoezee! Hoezee!
3.
Of
w'ons naar 't bos begeven
Naar
heide, duin of strand
't
Is alles ons om 't even
Want
schoon is Nederland!
En
keren wij bij 't vallen van
d'
avond, zwervens moe
Dan
roepen wij nog allen
Elk
ander vrolijk toe
Elk
ander vrolijk toe
Vooruit,
vooruit de pas er in
Dat
gaat eerst recht naar onze zin
En
iedereen juicht vrolijk mee
Naar
buiten nu, hoezee! Hoezee! Hoezee!
Turnmars
1.
Als
makkers zijn wij saam vereend
Door
onverbreekbare banden
De
vriendschap, die ons kracht verleent
Doet
heilig vuur ontbranden
Ontwikk'ling
onzer kracht is 't doel
Waarnaar
wij rustloos streven
Verwekt
in ons een warm gevoel
En
doet ons blijde leven
Hoera,
hoera, klinkt ons gezang,
De
gymnastiek, zij leve lang!
2.
Als
turners zijn wij toegewijd
Aan
onze club verbonden
En
zullen daarom 't aller tijd
Haar
roem en lof verkonden
Zij
leert ons in saamhorigheid
Naar
't zelfde einddoel streven
Bevordert
door verscheidenheid
De
frisheid van ons leven
Hoera,
hoera, klinkt ons gezang,
De
gymnastiek, zij leve lang!
3.
Ons
werken geeft ons lust en moed
Voor
d' arbeid in ons leven
En
zal in voor en tegenspoed
Ons
heilzaam sterkte geven
Kom
aan dan, volgen wij den plicht
Uit
innig begeren
Blijmoedig
onze taak verricht
Doet
levensvreugd vermeren
Hoera,
hoera, klinkt ons gezang,
De
gymnastiek, zij leve lang!
Voetballied
1.
Hoera,
het is weer Zaterdag
Dus
fijn vanmiddag vrij!
Zeg,
jongens maak nu toch wat voort
Komt
vlug naar gindse wei
Daar
staat reeds 't dappre elftal klaar
We
komen al, nog even maar
2.
Zeg,
jongens, 't wordt een reuzen match
Die
club van d' andere school
Die
is gewis niet voor de poes
Maar,
denkt aan ons parool
Wie
beentje wipt of zo al meer
Die
gaat er uit, die speelt niet weer
3.
Daar
klinkt de fluit, midvoor trapt af
De
kieper staat paraat
Nou
zeg, dat was een flinke kei
Die
recht op 't doel afgaat
Mooi,
kranig kerel, voorwaarts hup
Die
zit: één nul voor onze club
4.
Nog
nimmer werd er zóó gespeeld
Nu
staan wij al drie-één
't
Gaat om de eer van onze school
Wat?
weer een punt?
O
neen, De tijd is om, de strijd voorbij
En
d 'overwinnaars dat zijn wij!
Fietslied
1.
Laat
vrij langs de wegen de wielen nu draaien
Wijd
is de wereld en vliegt ons voorbij!
Laat
't windje en haren u waaien
Zoet
van de lucht over geurende wei
Het
stuur in vaste hand op verend lichte band
Glijdend
door schaduw of zonnebrand
Zoeken
we 't mooie van Nederland!
Glijdend
door schaduw of zonnebrand
Zoeken
we 't mooie van Nederland!
2.
Laat
't stijgen of dalen in bossen en heien
Sterk
als staal op 't zadel van ons ros!
Laat
vonkend om 't nikkel zonnelicht glijen
Straks
komt de rust op het donzige mos
Het
stuur in vaste hand op verend lichte band
Glijdend
door schaduw of zonnebrand
Zoeken
we 't mooie van Nederland!
Glijdend
door schaduw of zonnebrand
Zoeken
we 't mooie van Nederland!
Glijbaantje
1.
Glijen,
glijen, glijen,
Rrrrt!
in lange rijen
Jongens
komt, daar gaat ie weer
Maar
wie valt die doet zich zeer
Glijen,
glijen, glijen,
Rrrrt!
in lange rijen
Maak
dus dat je stevig staat
Als
je met ons glijen gaat
2.
Glijen,
glijen, glijen,
Rrrrt!
in lange rijen
Glijen
langs de gladde baan
Uit
den weg, daar komen w'aan!
Glijen,
glijen, glijen,
Rrrrt!
in lange rijen
Jongens
ha, wat gaat dat fijn
Haast
nog sneller dan de trein
3.
Glijen,
glijen, glijen,
Rrrrt!
in lange rijen
Kijk
wie loop daar achteraan?
Het
is warempel klein Jan!
Glijen,
glijen, glijen,
Rrrrt!
in lange rijen
Jantje
struikelt, draait in 't rond.....
Pats!
daar ligt ie op den grond
Schaatsenrijden
1.
In
den frisse wintermorgen
Suizen
wij langs 't blinkend vlak
Door
de wijd verlaten velden
Met
zo hier en daar een dak
refrein:
Over
weer, Telken keer
Krachtig
met gelijk bewegen
Hebben
wij de wind ook tegen
't
Zal wel gaan, Haak maar aan!
2.
IJzeren
vleugels aan de voeten
Glijden
wij van verre aan
Zwierend
als een vlugge vogel
Langs
de glinstergladde baan
refrein:
3.
Lustig
deinen wij maar verder
In
een lange, lange rij
Over
plassen, langs de vaarten
Door
de wit besneeuwde wei
refrein:
Vliegeren
Daar
gaan ze
Daar
staan ze in helderen zonneschijn
Ze
zwieren en gieren
Elk
aan een lange lijn
Al
hoger En hoger
Windt
af de lijn met spoed!
Da's
mijn touw-
Gelukkig,
't gaat nog goed!
De
mijne, die fijne
Met
sterren en een maan
Die
draait niet
En
zwaait niet
Blijft
onbeweeglijk staan
Al
trek je
En
sterk je
De
lijn ook nog zo strak
Neen,
vlieger, Mijn vlieger
Ik
houd je met gemak
Sledevaart
Rinkel,
tinkel, rinkel, tinkel
Door
de witte winterlaan
Onder
dik besneeuwde bomen
Glijdt
de arreslede
Rinkel,
tinkel, rinkel, tinkel
Zingt
het fijntjes door de lucht
Enkel
tinkel tonen klinken
Anders
is er geen gerucht
Nader
schuift de ranke slede
Sneeuw
stuift voor de hoeven op
En
het dravend paard schudt heftig
Met
zijn rood bepluimde kop
Mollig
ploffen paardepoten
Bellen
rink'len onder 't gaan
Rinkel,
tinkel, rinkel, tinkel
Door
de witte winterlaan
Frysk
Folkslied
Frysk
bloed tsjoch op! wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch ús ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bêste lân fan d'ierde,
It Fryske lân fol eare en rom.
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Hoe ek fan oermacht, need en see betrutsen,
Oerâlde, leave Fryske grûn,
Nea waard dy fêste, taaie bân ferbrutsen,
Dy't Friezen oan har lân ferbûn.
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Fan bûgjen frjemd, bleau by 't âld folk yn eare
Syn namme en taal, syn frije sin;
Syn wurd wie wet; rjocht, sljocht en trou syn leare,
En twang, fan wa ek, stie it tsjin.
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Trochloftich folk fan dizze âlde namme,
Wês jimmer op dy âlders grut!
Bliuw ivich fan dy grize, hege stamme
In grien, in krêftich bloeiend leat!
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
Klink dan en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Fryske grûn!
|

|
|
Grönnens
Laid
Van Lauwerszee
tot Dollard tou,
Van Drenthe tot aan 't Wad,
Doar gruit, doar bluit ain wonderland,
Rondom ain wondre stad.
Ain pronkjewail in golden raand
Is Grönnen, Stad en Ommelaand;
Ain pronkjewail in golden raand
Is Stad en Ommelaand!
Doar broest de
zee, doar hoelt de wind,
Doar soest 't aan diek en wad,
Moar rustig waarkt en wuilt het volk,
Het volk van Loug en Stad.
Ain pronkjewail in golden raand
Is Grönnen, Stad en Ommelaand;
Ain pronkjewail in golden raand
Is Stad en Ommelaand!
Doar woont de
dege degelkhaaid,
De wille, vast as stoal,
Doar vuilt het haart, de tonge sprekt,
In richt- en slichte toal.
Ain pronkjewail in golden raand
Is Grönnen, Stad en Ommelaand;
Ain pronkjewail in golden raand
Is Stad en Ommelaand!
Mijn
Drenthe
Ik heb u lief,
mijn heerlijk landje,
Mijn eenig Drentheland,
Ik min de eenvoud in uw schoonheid,
'k Heb u mijn hart verpand.
Mijn taak vervuld' ik blijde,
Waarheen ook plicht mij riep,
Uw geest was 't, die mij leidde,
Daarom vergeet 'k u niet.
'k Hoor nog de
lieve, held're klokjes,
bij zinkend' avondzon,
Als schaapjes keerden van de heide,
En moeder met ons zong.
O, kon ik nog eens horen,
Dat lied in 't schemeruur,
En vaders schoon vertelsel,
Bij 't vrolijk knappend vuur!
'k Zie nog uw
brink met forsche eiken,
Waar ik mijn makkers vond,
Waar ik mijn tenen mandje vulde,
Met eikels, glad en rond.
Daar bij die oude linde,
Kwam 'k met mijn vrienden saam,
Zo menig vriend ging henen,
De schors bewaart zijn naam.
De ruige boswal
langs uw velden,
Was mijn luilekkerland,
Die gaf mij lekk're, zoete bramen,
Uit milde, gulle hand.
Daar gaarde ik de brandstof,
Voor 't oud en heilig vuur,
Als lente's adem wekte,
Uit sluim'rende natuur.
Waar nog de
held're, koele veldplas,
Uw vredig beekje voedt,
Daar in dat wijde, bruine heivlak,
Waar wilp en korhoen broedt.
Daar koelde ik mijn leden,
In 't nat van zuiv're wel,
Daar heb ik leren zwieren,
Op ijzers, blank en snel.
Die beelden uit
dat zoet verleden,
Wat bleven zij bij mij!
Vaak heb ik zwaren strijd gestreden,
Dan hielpen, sterkten zij.
En nu, ten volle dankbaar,
Wijd 'k u mijn beste lied,
Mijn heilrijk, heerlijk Drenthe,
Vergeten kan 'k u niet!
Geldersch
Volkslied
Gelders dreven
zijn de mooiste
In ons dierbaar Nederland.
Vette klei- en heidegronden,
Beken, bosch en heuvelrand.
Ginds deWaal, daar weer de IJssel,
Dan de Maas en ook de Rijn
Geeft ons recht om heel ons leven
Geeft ons recht om heel ons leven
Trotsch op Gelderland te zijn.
Trotsch op Gelderland te zijn.
Waar ons
vaderland bebouwd werd
Door den Saksischen Germaan,
Daar werd onze stam geboren,
Daar is Gelderland ontstaan.
En het graan, dat thans geoogst wordt,
Waar het woest en wild eens was
Geeft ons recht om trotsch te wezen,
Geeft ons recht om trotsch te wezen,
Op ons echt Gelders ras.
Op ons echt Gelders ras.
In de dorpen en
de steden
Tusschen Brabant en de Zee,
Tussen Utrecht en Westfalen
Heerscht de welvaart en de vreê!
Met je kerken en kasteelen,
Met je huisjes aan den dijk,
Gelderland, jij bent de Parel
Gelderland, jij bent de Parel
Van ons Hollandsch koninkrijk.
Van ons Hollandsch koninkrijk
Limburg,
mijn Vaderland
Waar in 't
bronsgroen eikenhout, 't nachtegaaltje zingt;
Over 't malsche korenveld 't lied des leeuwriks klinkt;
Waar de hoorn des herders schalt langs der beekjes boord:
Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord!
Waar de breede
stroom der Maas, statig zeewaarts vloeit;
Weeldrig sappig veldgewas kostelijk groeit en bloeit;
Bloemengaard en beemd en bosch, overheerlijk gloort:
Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord!
Waar der
vad'ren schoone taal klinkt met held're kracht;
Waar men kloek en fier van aard vreemde praal veracht;
Eigen zeden, eigen schoon, 't hart des volks bekoort:
Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord!
Waar aan 't oud
Oranjehuis, 't volk blijft hou en trouw;
Met ons roemrijk Nederland, één in vreugd en rouw;
Trouw aan plicht en trouw aan God, heerscht van Zuid tot Noord:
Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord
Twentsch
Volkslied
Er ligt
tussen Dinkel en Regge een land
Ons schone en nijvere Twente
Het land van de arbeid het land der natuur
Het steeds onvolprezene Twente
Daar golft op de essen het goudgele graan
Doet 't snelvlietend beekje het molenrad gaan
Daar ligt er de heide in 't paarsrode kleed
Dat is ons zo dierbare Twente (2x)
Waar
Twickel zijn torens uit't eikenloof heft
De Lutte zijn heuvels doet blinken
De paasvuren branden alom in't rond
En 't landvolk de kersthoorn laat klinken
Daar stroomt onze Dinkel zo heerlijk door 't land
Door bossen en velden, langs't Losserse zand
Daar rust er ons oog van der heuvelentop
Op 't heerlijke landschap ons Twente (2x)
De
rookwolk, die stijgt aan de horizon op
Die wijst on de nijvere steden
Met mensen arbeidzaam en degelijk, bewoond
De zetels van 't krachtige heden
Daarbuiten in boerschap op heide en veld
Daar wordt nog de sage en 't sprookje verteld
Daar rust de Tubanter in't heuvelig graf
't Verleden naast 't heden van Twente (2x)
En voert
ons het lot ook uit Twente soms weg
Wij blijven het immer gedenken
Geen andere landstreek hoe schoon ze ook zij
Kan 't zelfde als Twente ons schenken
Wij drukken elkaar in de vreemde de hand
Gedenkend ons klein, maar zo dierbare land
En moge ons hart in de vreemde ook staan
Ons hart blijft toch altijd in Twente (2x)
Aan
Brabant
Wie
ooit u „donker Zuiden" durfde heten,
Die
peilde nooit de diepte van uw lichte ziel,
O
land van kunst, te weinig nog geweten,
Geliefde
grond, waarin Gods goedheid viel.
Geliefde
grond, geboortegrond, waarin Gods goedheid viel.
Al
moest ons volk uw dorheid staag bestrijden,
Nu
bloeien ov'ral bloesems van zijn nijverheid,
De
hand aan 't staal, dat door uw korst moet snijden,
De
koppen koel, zo werd ons werk gewijd !
De
koppen koel, de harten vroom, zo werd ons werk gewijd !
Noord-Brabant,
hoor de zang van uwe zonen,
Het
geldt uw grond, welks eenvoud ons ten zegen bleef,
O
rieten dak, waar ik als kind mocht wonen,
O
eigen land, blijf in mijn ziel en leef.
O
eigen land, lief Brabantland, blijf in mijn ziel en leef !
Zeeuwsch
Volkslied
Zeeuwsch-Vlaamsch
Volkslied
Waar eens 't
gekrijsch der meeuwen
Verstierf aan 't eenzaam strand,
Daar schiepen zich de Zeeuwen
Uit schor en slik hun land;
En kwam de stormwind woeden,
Hen dreigend met verderf,
Dan keerden zij de vloeden
Van 't pas gewonnen erf.
Van d'Ee tot Hontenisse
Van Hulst tot aan Cadzand
Dat is ons eigen landje,
Maar deel van Nederland.
Waar eens de
zeeën braken,
Met donderend gedruis
Daar glimmen nu de daken,
En lispelt bladgesuis.
Daar trekt de ploeg de voren,
Daar klinkt de zicht in 't graan.
Daar ziet men 't Zeeuwse koren,
Het allerschoonste staan.
Van d'Ee tot Hontenisse
Van Hulst tot aan Cadzand
Dat is ons eigen landje,
Maar deel van Nederland.
Daar klappen
rappe tongen,
De ganse lieve dag.
Daar klinkt uit frisse longen,
Gejok en gulle lach.
Daar klinkt de echte landstaal,
Geleerd uit moeders mond.
Eenvoudig, zonder omhaal,
Goed Zeeuwsch en dus goed rond.
Van d'Ee tot Hontenisse
Van Hulst tot aan Cadzand
Dat is ons eigen landje,
Maar deel van Nederland.
Daar werd de
oude zede,
Getrouwelijk bewaard.
En 't huis in dorp en steden,
Bleef zuiver Zeeuws van aard.
Daar leeft men zo eendrachtig,
En vrij van droef krakeel.
Daar dankt men God almachtig,
Voor 't toegemeten deel.
Van d'Ee tot Hontenisse
Van Hulst tot aan Cadzand
Dat is ons eigen landje,
Maar deel van Nederland.
De
worstelstrijd met Spanje,
Bracht ons het hoogste goed,
De vrijheid door Oranje,
Betaald met hartebloed.
Dat goed gaat nooit verloren,
De Nederlandse vlag.
Zal wappren van de toren,
Tot op de jongste dag.
Van d'Ee tot Hontenisse
Van Hulst tot aan Cadzand
Dat is ons eigen landje,
Maar deel van Nederland.
Paaszang
1.
't
Aardrijk ontroert van vreugd:
Lente
verscheen!
's
winters nacht verdween!
's
winters nacht verdween!
Mens,
wees ook gij verheugd!
Eennmaal
vliedt heen alle droef geween, alle droef geween.
Dorrende
blâren moed'loos vergâren:
Jammerlijk
lot voor wie leeft voor d'aard!
Onder
al 't derven 't eeuw'ge verwerven
Dat
is heil voor Gods kind bewaard!
2.
Roept
Hem tot koning uit! Liefde verwint,
zij
verlost, zij bindt; zij verlost, zij bindt;
Niets
wat haar invloed stuit
Vrede
hervindt ieder hart dat mint, ieder hart dat mint.
Overal
wijden Zijne bevrijden
Zeeg'nend
hun zangen aan
Zijne
macht; Gode te leven,
zelf
zich geven,
Dat
is onsterf'lijke levenskracht!
3.
Schoon,
zin'rijk Paasverhaal:
Macht'loos,
geknot
liggen
haat en spot,
liggen
haat en spot.
Groot
is de zegepraal
Zalig
het lot van wie leeft voor God,
van
wie leeft voor God!
Vreest
dan geen mensen
Hoe
z'u verwensen
Liefde
dwingt eindelijk weêr- liefd af.
Vreest
dan geen smarten!
Edele
harten
Vinden
hun kroon ook bij kruis en graf.
Paaslied
1.
Daar
juicht een toon, daar klinkt een stem,
die galmt door gans jeruzalem.
Een heerlijk morgenlicht breekt aan,
de Zone Gods is opgestaan.
2.
Geen graf hield Davids Zoon omkneld,
Hij overwon, die sterke held.
Hij steeg uit 't graf door eigen kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.
3.
Nu jaagt de dood geen angst meer aan,
want alles, alles is voldaan.
Die met geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood of helle niet.
4.
Want nu de Heer is opgestaan,
nu vangt het nieuwe leven aan;
een leven, door zijn dood bereid,
een leven in zijn heerlijkheid.
Dochter
Sions
Dochter Sions
wees verheugd!
Juich van vreugd, Jeruzalem
Zie, uw Koning komt tot u,
Ja, Hij komt de Vredevorst!
Dochter Sions, wees verheugd,
juich van vreugd Jeruzalem.
Hosanna, Davids
Zoon
Heil en zegen zij Zijn volk!
Sticht nu, Heer, Uw eeuwig rijk;
Blij Hosanna komt u toe
Hosanna Davids Zoon!
Heil en zegen zei Zijn volk.
Ja, Hosanna,
Davids Zoon!
Wees gegroet o Vredevorst!
Eeuwig staat Uw zetel vast,
Eeuwig als Jehova's troon,
Ja, Hosanna, Davids Zoon;
Wees gegroet o Vredevorst!
Jezus
is ons licht en leven
1.
Jezus
is ons licht en leven!
Hij
die zich aan 't kruis gegeven
Met
zijn bloed ons heeft gekocht
Heeft
nu vorst-lijk overmocht
's
Vijands waap-nen, vaandels, banden
Zijn
in overwinnaars handen
Halleluja!
2.
Hij
heeft als een held gestreden
Helen
duivel fors vertreden
Voortaan
schaadt geen vijand meer
Ook
al wodt hij nog zo zeer
Laat
dan Sions blijde psalmen
Luid
en overal weergalmen
Halleluja!
3.
't
Leven heeft den dood verslonden
't
Graf is ledig en geschonden
Dood
waar is uw overmacht?
Waar
uw prikkel?
Waar
uw kracht?
's
Heeren vrij gekochten hopen
Want
de hemel gaat hun open
Halleluja!
Veni
Creator Spitirus
Pinksterlied
1.
Geest
des Heeren, kom van boven!
Laaf
met met Uw genadegoed
Alle
zielen, die geloven
Doe
ze blaken van uw gloed
Op
het blinken van alle stralen
Buigt
zich d'aard voor Jezus neer
Zaam-len
zich van heind'en veer
Alle
tongen, alle talen
Halleluja,
U zij d'eer, Halleluja!
2.
Heilig
licht en gids ten leven!
Breng
ons door het Woord te saam!
Leer
ons God ons harte geven
Met
den zoeten Vadernaam!
Maak
ons vrij van alle dwaling
Vrij
van alle fabelleer
Trouw
aan Christus, onze Heer
Tot
onz' uiterst' ademhaling
Halleluja,
U zij d'eer, Halleluja!
Pinksterlied
1.
Komt,
vromen, deze dag
Zij
feestelijk bezongen
Roemt
's Heeren grote daân
Met
nieuw bezielde tongen!
Gods
heilge macht'ge Heest
Gaf
helden kracht en moed;
Hij
brengt ons in dit uur
Zijn
zaal-gen vrede groet
2.
Bezielt
u 's Heeren Geest
Bracht
's Heeren Woord u vrede
Draagt
gij van Gods genade
De
eerstelingen mede
Verheft
dan mee het hart
En
zingt uw dankbaar lied
Verheerlijkt
mee Gods trouw
Die
ons nog nooit verliet
Een
vaste burcht is onze God
1.
Een
vaste burcht is onze God
Een
toevlucht voor de Zijnen
Al
drukt het leed, al dreigt het lot
Hij
doet Zijn hulp verschijnen
De
vijand rukt vast aan
Met
opgestoken vaan
Hij
draagt zijn rus-ting nog
Van
gruwel en bedrog
Maar
zal als kaf verdwijnen!
2.
Gods
woord houdt stand in eeuwigheid
En
zal geen duimbreed wijken
Beef,
Satan! Hij, die ons geleidt
Zal
u de vaan doen strijken
Delf
vrouw en kind'ren 't graf
Neem
goed en bloed ons af
Het
brengt u geen gewin
Wij
gaan ten hemel in
En
erven koninkrijken.
Hoe
groot en goed
(Dankgebed)
1.
Hoe
groot en goed, hoe wonderbaarlijk
Zijn,
God, de wegen van uwen raad!
De
bozen greigden gans vervaarlijk
Onmachtig
dreigen was 't metterdaad
Uw
trouw houdt stand,
Uw
Vaderhand,
Uw
Vaderhand geleidt ons tot Uw eer
Ach,
waren w'altoos U trouw, o Heer!
2.
God,
onze God! vol mededogen
Hield
ge op ons armen het oog gericht
Wij
leden zwaar, Van uit den hogen
Zondt
ge ons Uw eng'len met troost en licht
Uw
trouw houdt stand,
Uw
Vaderhand,
Uw
Vaderhand geleidt ons tot Uw eer
Ach,
waren w'altoos U trouw, o Heer!
3.
Uw
wijnstok lag vertrapt, versmeten
Gij
hebt gesproken: nu bloeit hij weer
Gij
hebt ons nooit, neen, nooit vergeten
Vergeet,
mijn ziele, Hem nummer meer
Gods
trouw houdt stand
Gods
Vaderhand, Gods Vaderhand
geleidt
ons tot Zijn eer.
Ach,
waren w'altoos U trouw, o Heer!
Bij
Jezus kruis
1.
O,
Hoofd des Eengeboornen
Eens
van Gods glans bestraald
Hoe
dus gekroond met doornen
En
op de borst gedaald?
Wie
heeft U neergebogen
Wie
deed den smaad U aan?
Wie
't licht dier hemelsch'ogen
In
doodsnacht ondergaan?
2.
Al
wat God hebt geleden
Dat
leedt G'o Heer, voor mij!
Gij
hebt mijn strijd vol streden
Mijn
zondenlast droegt Gij
Gij
sust mijn angstig vrezen
Gij
stilt mijn bange smart
Uw
striemen, Heer, genezen
Dit
kranke zondaars hart
3.
Wat
heeft mij menig malen
Uw
woord getroost, verlicht!
Uw
Geest behoed voor dwalen
Uw
hand weer opgelicht!
Uw
Geest behoed voor dwalen,
Uw
hand weer opgericht!
Gij
liet mij t 'al behouden
Wat
Gij mij gaaft, o Heer!
De
wereld moog verouden
Uw
liefde nimmer meer
4.
Als
eens, in 't uur van scheiden
Geen
vriend mij volgen zal
Wil
God mij dan leiden
Door
't donker schaduwdal!
Voer
m'aan Uw hand naar boven
In
d'eeuw-gen zonneschijn!
Hoe
zalig U te loven
Waar
kruis noch doornen zijn!
Nu
syt wellecome
Nu syt
wellecome, Jesu lieven Heer,
Gij komt van also hooge, van also veer.
Nu syt wellecome van de hooghen hemel neer.
Hier al in dit aertrijck syt ghij ghesien nooit meer.
Kyrieleis.
Christe
Kyrieleison,laat ons zingen blij
Daarmeed ook onze leysen beginnen vrij.
Jezus is geboren op den heiligen kerstnacht
Van een maghet reyne die hoog moet zijn geacht
Kyrieleis
D'heilige
Driekoongen uit zo verre land ze zochten onze Here met offerand
Z'offerden ootmoedelijk mir, wierook ende goud
t' ere van den Kinde
dat alle ding behoudt
Kyrieleis
De
nederige geboorte
Er is een
kindeke geboren op aard
Er is een kindeke geboren op aard
't Kwam op de aarde voor ons allemaal
't Kwam op de aarde voor ons allemaal
Er is een
kindeke geboren in 't strooi
Er is een kindeke geboren in 't strooi
't Lag in een kribje gedekt met wat hooi
't Lag in een kribje gedekt met wat hooi
't Kwam op de
aarde voor ons allegaar
't Kwam op de aarde voor ons allegaar
't Wenst ons een zalig nieuwjaar
't Wenst ons een zalig nieuwjaar
Stille
nacht
Stille Nacht,
Heilige Nacht.
Davids Zoon, lang verwacht,
die miljoenen eens zaligen zal
werd geboren in Bethlehems stal.
Hij, der schepselen Heer
Hij, der schepselen Heer.
Hulp'loos kind,
heilig kind,
dat zo trouw zondaars mint.
Ook voor mij hebt G'Uw rijkdom ontzegt,
werd G'in stro en in doeken gelegd.
Leer m'U danken daarvoor
Leer m'U danken daarvoor.
Stille Nacht,
Heilige Nacht,
Heil en vree wordt gebracht,
aan een wereld, verloren in schuld.
Gods belofte wordt heerlijk vervuld.
Amen! Gode zij eer
Amen! Gode zij eer.
Engelenzang
Ere zij God
Ere zij God
In de hoge, in de hoge, in de hoge!
Vrede op aarde
Vrede op aarde
In de mensen een welbehagen.
Ere zij God in de hoge
Ere zij God in de hoge!
Vrede op aarde
Vrede op aarde
Vrede op aarde
Vrede op aarde!
In de mensen een welbehagen
In de mensen een welbehagen, een welbehagen!
Ere zij God
Ere zij God
In de hoge, in de hoge, in de hoge!
Vrede op aarde
Vrede op aarde
In de mensen een welbehagen.
Ere zij God in de hoge
Ere zij God in de hoge!
Vrede op aarde
Vrede op aarde
Vrede op aarde
Vrede op aarde!
In de mensen een welbehagen
In de mensen een welbehagen, een welbehagen!
De
Kerstklokjes
De
kerstklokjes klingelen zo liefelijk en rein
Ze
zingen het verhaal uit overoude tijden
Dat
telkens weer ons hart verwarmt, ons feest'lijk komt
verblijden
Ze
zingen het verhaal van een lief kindje klein
Dat
kindje is de schat, het kostbaar kleinood
Van
Jozef en Maria, hun vreugde was zo groot
De
kerstklokjes klingelen vol milde, zachte klank
Ze
brengen ons een boodschap van eeuwen lang geleden
Het
is d' aloude boodschap weer van liefde en van vrede
Het
ruist nu dor de heem'len op accoorden blank
Dat
Jezus is geboren in stille donk're nacht
Hij
komt het mensdom schenken Zijn goddelijke kracht
Kerstmis
Wat
zingen de klokken met diepe klank ?
Wat
jub'len de klokjes met blijde dank ?
Wat
melden de kerstbomen zonder tal ?
Wat
zongen de eng'len in Efrata's dal ?
Hoort
gij 't niet ? "Ere zij God in den hoge
Vrede
en vreugde zijn 't deel nu voortaan
Van
alle mensen die 't goede beminnen."
Hebt
gij die boodschap der liefde verstaan ?
Verheugt
u ! Waarom zoudt gij droef nog zijn ?
De
kerstklokken luiden toch groot en klein ?
Ze
zingen en jubelen overal
En
blijde weerklinkt over bergen en dal:
"Ere
zij God in de hoogste heem'len
Vrede
op aarde en vrede in 't hart
Vreugde
voor allen die 't goede beminnen."
Bethlehems
boodschap verwint alle smart
Adeste
Helderlijk
getik van glas
Kling'len
door de kille nacht
Haastig
met gemeten snokjes
Hoor!
de vroeg ontwaakte klokjes
Van
het kerksken langs de veste
Adeste!
Adeste!
Zoet'lijk
wolle vlokt de snee
Vlekloos
blank in 't zwarte ruim
En
zij weeft haar maagd'lijk laken
Op
de grauwe schaliedaken
Van
het kerksken langs de veste
Adeste!
Adeste!
Op
een hoopken hooi en strooi
Blinkend
in de keersensching
Hier
'n strik en daar 'n lintje
Prijkt
dat lieve kribbekindje
Midden
't kerkske langs de veste
Adeste!
Adeste!
't
Zingt een stemme strelend zacht
Voor
het kind een jubellied
En
uit harten, rijk aan vrede
Rijst
in stilte menig bede
Uit
het kerksken langs de veste
Adeste!
Adeste!
Maria,
die soude naar Bethlëem gaen
1.
Maria
die soude naer Bethlehem gaen,
Kersavond voor de noene;
Sint Joseph soude met haer gaen
Om haer den weg te toenen.
2.
Het hageld' en 't sneeuwde en
't miek er zoo koud,
De rijm lag op de daken;
Sint Joseph tegen Maria sprak:
“Maria, wat zullen wij maken?”
3.
Maria
die zeide: “ik bender zoo moe,
Laet ons een weinig rusten”.
“Laet ons nog een weinig rusten”.
“Laet ons nog een weinig verder gaen,
Aen een huizeken zullen wij rusten!”
4.
Zij kwamen een weinig verder gegaen,
Tot aen een boere scheure,
't Is daer waer Heer Jezus geboren was:
En daer sloten noch vensters noch deuren!
Daar
is een twijg ontloken
1.
Daar
is een twijg ontloken
Aan
d' afgehouwen stam
Zoals
uit oude sproken
Voortzegging
tot ons kwam
Een
wonderbloem ontbloeit...
Als
winterkou en duister
De
wereld heeft geboeid
2.
Die
bloem van wond're luister
Waarvan
Jesaja sprak
Bloeid'
op, toen door het duster
Het
licht der wereld brak
Toen
is in stille nacht
Maria's
kind geboren
Dat
ons Zijn heilwoord bracht
3.
Voer
tot dat woord ons nader
Doe
't leven in ons hart
Het
leidt naar U, o Vader
Ons
heen door vreugd en smart
Door
Jezus'geest geleid
Zien
wij Uw hemel pen
Nu
en voor d' eeuwigheid
Lof
zij den Heer
1
Lof zij de Heer,
de almachtige Koning der ere!
Dat aard' en hemel
de lof Zijner glorie vermere!
Meng in 't geklank,
ziel, uw aanbiddende dank:
zing al wat ademt de Here!
2
Lof zij de Heer,
die de werelden dacht, en zij waren,
die al de dropp'len
geteld heeft der golvende baren,
die met Zijn staf
heerst van de weg tot het graf:
psalmzing' uw hart met de snaren!
3
Lof zij den Heer,
die U bootst' uit vergank'lijke aarde,
maar al zijn volheid
uw eeuwige geest openbaarde!
Hij had u lief,
die tot zijn kind u verhief,
hoger dan d' eng'len in waarde.
4
Lof zij den Heer,
van wiens leiding de sterren gewagen,
die ook uw leven
op adelaarswiek heeft gedragen:
breed en geducht
was zijn aanbidd'lijke vlucht,
ruisend met machtige slagen!
5
Lof zij den Heer,
die uw bevende vrees zal beschamen!
Noem Hem uw Vader,
de kroon van Zijn heerlijke namen!
Dwars door de dood
neemt Hij u op in zijn schoot;
loof Hem in eeuwigheid!
Amen!
De
Heer kent al de zijnen
1.
De
Heer kent al de zijnen
En
noemt ze bij hun naam
Zijn
licht blijft hen beschijnen
Hij
brengt z 'in vreugde saam
Hij
laat hen niet verderven
Maar
redt z'uit bang gevaar
In
leven en in sterven
Vertroost
Hij wonderbaar
In
leven en in sterven
Vertroost
Hij wonderbaar.
2.
Hij
kent z'in alle landen
Hij
kent ze groot en klein
Niets
rukt hen uit Zijn handen
Hij
houdt ze vroom en rein
Hij
leert ze moedig streven
Naar
't onverderflijk goed
En
schenkt hun 't eeuw-ge leven
Des
geestes overvloed
En
schenkt hun 't eeuw-ge leven
Des
geestes overvloed.
3.
Wie
zou ons 't beste roven
Het
blij geloof, de hoop?
Wie
't vuur der liefde doven?
Ons
blijft des geestes doop
Uw
hand zal trouw ons leiden
Ons
dragen immer meer
Wat
zou ons van U scheiden?
Wij
blijven d'Uwen, Heer
Wat
zou ons van U scheiden?
Wij
blijven d'Uwen, Heer
Loof
nu den Heere
1.
Loof
nu den Heere, o mijne ziele
Prijs
Zijnen Naam, zoo eindloos groot
Hij
zij geprezen, schoon 't alm'ontviele,
Hem
zal ik loven tot den dood
Hem,
aan Wiens hand ik veilig ga
Prijze
mijn loflied vroeg en spa
Halleluja!
2.
Loof
Hem, die hemel en zee en aarde
Door
Zijne macht in 't aan zijn riep
Hem,
die het alles getrouw bewaarde
Wat
eens Zijn God'lijk machtwoord schiep
Hem,
den Beheerser van 't heelal
Dien
al wat ademt loven zal
Halleluja!
3.
Zalig,
ja zalig mag hij zich heten
Wien
Jacobs God Zijn hulpe biedt
Nimmer
zal Hij het verbond vergeten
Dat
g'in Zijn Zoon bevestigd ziet
Wacht
op den Heer,
houd
moedig stand
Niets
rukt u los uit 's Heeren hand
Halleluja!
Wilt
heden nu treden
Wilt heden nu
treden voor God, den Heere,
Hem boven al loven van harte zeer,
En maken groot zijns lieven namens eere,
Die daar nu onzen vijand slaat terneer.
Ter eeren ons
Heeren wilt al uw dagen
Dit wonder bijzonder gedenken toch.
Maakt u, o mensch, voor God steeds wel te dragen,
Doet ieder recht en wacht u voor bedrog!
Bidt, waket en
maket, dat g’in bekoring
En ’t kwade met schade toch niet en valt.
Uw vroomheid brengt den vijand tot verstoring,
Al waar’ zijn rijk nog eens zoo sterk bewald
O
Heer, die daar des hemels tente spreidt!
| O Heer,
die daar des hemels tente spreidt, |
| en wat
op aard is, hebt alleen bereid, |
| het
schuimig, woedig meer kunt maken stille, |
| en alles
doet naar uwen lieven wille, |
| wij
slaan het oog |
| tot U
omhoog, |
| die ons
in angst en nood, |
| verlossen
kondt, |
| tot
aller stond, |
| ja zelfs
ook van den dood. |
|
Als
gij, o vrome, dikwijls hebt gesmaakt, |
|
vermaakt
u nu vrij, dat u 't harte raakt! |
|
Looft
God den Heer met zingen en met spelen, |
|
en
roept vrij uit tesaam met luider kelen: |
|
"Hadd'
ons de Heer, |
|
- Hem
zij al d' eer - |
|
alzo
niet bijgestaan, |
|
wij
waren lang |
|
- ons
was zo bang - |
|
al in
den druk vergaan!" |
Dankt,
dankt nu allen God
1.
Dankt,
dankt nu allen God
met hart en mond en handen,
die grote dingen doet
hier en in alle landen,
die ons van kindsbeen aan,
ja, van de moederschoot,
zijn vaderlijke hand
en trouwe liefde bood.
2.
Die
eeuwig rijke God
moge ons in dit leven
een vrij en vrolijk hart
en milde vrede geven
Die uit genade ons
behoudt te alle tijd
is hier en overal
een helper die bevrijdt.
3.
Lof,
eer en prijs zij God
die troont in 't licht daarboven.
Hem, Vader, Zoon en Geest
moet heel de schepping loven
Van Hem, de ene Heer,
gaf het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer,
de toekomst is zijn rijk.
In
God rust mijne ziele
1.
In
God rust mijne ziele
Die
was en is, die 't aal
Om
sloot en zal omsluiten
Dien
groten God, waar buiten
Niets
was of wezen zal
2.
In
God rust mijne ziele,
Ik
reik naar 't eeuwig goed
Mijn
ziel zal niet versagen
Het
heil, waar naar wij vragen
Het
komt ons tegemoet
3.
In
God rust mijne ziele
Hij
leidt m'op 's levensbaan
Zijn
willen is mijn moeten
Ook
waar mijn trage voeten
Onwillig
verder gaan
4.
In
God rust mijne ziele
Hij
leeft en rust in God
Ik
wil dit aardsche leven
In
Zijne handen geven
En
ginds mijn eeuwig lot
Het
leven
Het
leven is een' krijgsbanier,
door goede en kwade dagen,
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaards dragen.
Men tuimelt
wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe!
Het leven is...
geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Levenslust
1.
Fris
als de morgen, zijn kracht bewust
Stroomt
door mijn ad'ren de levenslust
Lust
om de hand aan den ploeg te slaan
Lust
om den brave ter zijde te staan
Lust
in de wereld en Die haar schiep
Die
er ook mij tot mijn werkkring riep
2.
Dit
is de macht, die mij staande hield
God
heeft ook mij met Zijn geest bezield
Zonne
vol warmt' en vol licht mag 'k zijn
Allen
verkwikkend met heldren schijn
Liefd'
en vertroosting voor jong en oud
Heeft
's Vaders goedheid mij toe vertrouwd
3.
Doch
er zij nimmer een werk gewaagd
Eer
er Uw zegen op werd gevraagd!
Vurig
zij 't willen, de kracht is klein
Zoo
niet Uw zegen mijn steun mag zijn
God
leid mijn schreden door Uwen raad!
Zoo
treed ik voorwaarts tot kloeke daad.
Wilhelmus
Wilhelmus
van Nassouwe
Ben ick van Duytschen bloet,
Den Vaderlant getrouwe
Blyf ick tot in den doot:
Een Prince van Oraengien
Ben ick vrij onverveert,
Den Coninck van Hispaengien
Heb ick altijt gheeert.
|
In
Godes vrees te leven
Heb ick altyt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Landt om Luyd ghebracht:
Maer God sal mij regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick zal wederkeeren
In mijnen Regiment.
|
|
| |
|
Lydt
u myn Ondersaten
Die oprecht zyn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven
Bidt Godt nacht ende dach,
Dat hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.
|
|
| |
|
Lyf
en goet al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn broeders hooch van Namen
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven
In Vriesland in den slaech,
Syn Siel int ewich Leven
Verwacht den Jongsten dach.
|
|
| |
|
Edel
en Hooch gheboren
Van Keyserlicken Stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren
Als een vroom Christen man,
Voor Godes Woort ghepreesen
Heb ick vrij onversaecht,
Als een Helt sonder vreesen
Mijn edel bloet ghewaecht.
|
|
| |
|
Mijn
Schilt ende betrouwen
Sijt ghy, o Godt mijn Heer,
Op u soo wil ick bouwen
Verlaet mij nimmermeer:
Dat ick doch vroom mach blijven
V dienaer taller stondt,
Die Tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.
|
|
| |
|
Van
al die my beswaren,
End mijn Vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verrasschen
In haren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.
|
|
| |
|
Als
David moeste vluchten
Voor Saul den Tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich Edelman:
Maer Godt heeft hem verheven
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijk ghegheven
In Israel seer groot.
|
|
| |
|
Na
tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt mijn Heer dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn Vorstelick ghemoet:
Dat is dat ick mach sterven
Met eeren in dat Velt,
Een eewich Rijck verwerven
Als een ghetrouwe Helt.
|
|
| |
|
Niet
doet my meer erbarmen
In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks Landen goet,
Dat v de Spaengiaerts crencken
O Edel Neerlandt soet,
Als ick daer aen ghedencke
Mijn Edel hert dat bloet.
|
|
| |
|
Als
een Prins op gheseten
Met mijner Heyres cracht,
Van den Tyran vermeten
Heb ick den Slach verwacht,
Die by Maestricht begraven
Bevreesde mijn ghewelt,
Mijn ruyters sach men draven.
Seer moedich door dat Velt.
|
|
| |
|
Soo
het den wille des Heeren
Op die tyt had gheweest,
Had ick gheern willen keeren
Van v dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert.
Diemen altijd moet loven
En heeftet niet begheert.
| |
| |
|
Seer
Prinslick was ghedreven
Mijn Princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen bekant.
|
|
| |
|
Oorlof
mijn arme Schapen
Die zijt in grooten noot,
V Herder sal niet slapen
Al zijt ghy nu verstroyt:
Tot Godt wilt v begheven,
Syn heylsaem Woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.
|
|
| |
|
Voor
Godt wil ick belijden
End zijner grooter Macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere
Der hoochster Maiesteyt,
Heb moeten obedieren,
Inder gherechticheyt |
|

|
|
Een
liedje van de zee
1.
Wie
gaat mee, gaat mee over zee?
Houd het roer recht!
Frisch blaast de wind langs de reê,
Blijft g'in 't nest, in 't nest met de rest?
Houd het roer recht!
Ons lijkt de zee het allerbest!
Wie wat worden wil,
Wel die zit niet stil,
Neen, hij trekke 't zeegat uit,
Zie hem wacht rijke buit.
2.
Bij
de hand, bij de hand voor het land!
Houd het roer recht!
Zoo klinkt het lied van allen kant,
Voor u uit het oog en omhoog,
Houd het roer recht!
Dat u geen storm verrassen moog!
Met het oog in 't zeil
En voor niemand veil,
Stuurt de zeeman 't zwemmend paard,
Nooit voor iemand vervaard,
3.
Een
hoezee, hoezee voor de zee!
Houd het roer recht!
Jongens van Holland, roept het mee!
Hier is 't veld, is 't veld voor den held,
Houd het roer recht!
Hier toont de man wat hij geldt,
Onder 't zeemansbuis,
Daar is moed nog thuis,
In zijn vuist ligt heel zijn lot,
Niemand vreest hij dan God
Een
scheepje
Een scheepje in
de haven landt
hojo, hojo, hojo, hojo
Gevuld met specerijen
hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
En menig flinke, jonge kwant
met buidels vol tot aan den rand
en harten vol verblijen
hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
Een beetje pret na leed en last
hojo, hojo, hojo, hojo
Wie zou het u misgunnen
hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
Maar niet de zeilen volgebrast
Toe leg een reefje waar het past
Het zou eens stormen kunnen,
hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
Een
Hollandsche Feestdag
1.
Dertig
April, dertig April !
Weet
je wel, wat ons dat zeggen wil ?
Wapp'rende
vlaggen het vrolijk verkonden,
Bei'rende
klokken weergalmen in 't ronde,
Melden
de heuglijke tijding gestaâg:
"Prinses
Juliana verjaart vandaag !"
2.
Kom,
Hollands jeugd, kom, Hollands jeugd,
Vier
dan deez' feestdag met grote vreugd,
Want
de Prinses, op wie Holland mag roemen,
Is
voor een ieder als voorbeeld te noemen,
Needrig
van harte en fier van gemoed,
Zoals
een Prinsesse ook wezen moet.
3.
Dertig
April, dertig April,
Wat
elk de jarige zeggen wil:
"Hartelijk
hopen wij, dat u het leven
Vreugde
en liefde en gezondheid mag geven."
Klokken,
laat galmen uw hulde aan haar:
"Prinses,
vier uw verjaardag nog menig jaar !"
Kind
van Holland
1.
Kind
van Holland, zing je lied,
Lied
van land en zee,
Draag
het ook waarheen je gaat
In
je harte mee !
Breng
het heel de wereld rond,
Maak
je lied bekend,
Trots
en blij, omdat je zelf
Kind
van Holland bent.
2.
Kind
van Holland, zing je lied,
Lied
van duin en strand.
Lied
waaruit je liefde srpeekt
Voor
je vaderland,
In
de Oost of in de West,
Waar
je schreê zich wendt,
Toon
dan dat j' in woord en daad
Kind
van Holland bent.
Mijn
land
1.
Ja,
ik ben van het land,
Dat
de krachtige hand
Van
mijn volk heeft ontroofd aan de zee.
Die
nog kampt met d' orkaan
Om
behoud van het strand,
Met
de branding, die brult op de reê.
Dat
land heb ik lief en dat land is mijn al,
Het
land, dat ik nimmer vergeten zal.
2.
Ja,
ik ben van het land,
Dat
zijn schepen bemant
Met
een ras, voor geen drommel vervaard,
Van
het stoere geslacht,
Dat
zijn vlag heeft geplant
Aan
de duistere hoeken der aard.
Dat
land heb ik lief en dat land is mijn al,
Het
land, dat ik nimmer vergeten zal.
3.
Ja,
ik ben van het land,
Met
de zonnige rand
En
zijn welige weiden met vee,
Waar
de korenzee ruist
In
de zomerse brand
En
de wouden zacht zingen van vreê.
Dat
land heb ik lief en dat land is mijn al,
Het
land, dat ik nimmer vergeten zal.
4.
Ja,
ik heb aan dat land
Mijne
liefde verpand
En
zijn naam zal ik roemen altijd.
En
ik blijf voor zijn eer
Heel
mijn leven gestand,
Aan
zijn heil blijf mijn streven gewijd.
Dat
land heb ik lief en dat land is mijn al,
Het
land, dat ik nimmer vergeten zal.
Feestlied
op 31 Augustus
1.
Blij
wapperen van d' Eems tot 't Zwin
De
vlaggen voor de Koningin
Van
Nederland;
Der
klokken beierend geklank
Galmt
over stad en dorp de dank
Van
't Vaderland ! Van 't Vaderland !
2.
Op
deze luisterrijke dag
Klinkt
ver in 't rond de gulle lach
Van
Neêrlands jeugd.
De
kind'ren op wier blij gezicht
De
liefde voor Oranje ligt
Zijn
vol van vreugd ! Zijn vol van vreugd !
3.
Luid
schalt van 't wijde Noordzeestrand
Tot
over 't golvend heuvelland
Eén
vreugedezang;
Van
Oost tot West, van Zuid tot Noord
Wordt
weer de stille beê gehoord:
"God
spaar' Haar lang ! God spaar' Haar lang !"
Feestzang
voor 31 Augustus
1.
Hoort
ge wel die schone zangen
Vol
van vreugde, liefde en trouw ?
Ziet
ge wel die schat van bloemen
En
die vlaggen rood-wit-blauw ?
Alles
lacht en juicht en jubelt,
Ouden,
jongen één van zin,
Vieren
opgewekt tezamen
't
Feest van Neêrlands Koningin.
Vieren
opgewekt tezamen
't
Feest van Neêrlands Koningin.
2.
Zouden
wij niet dankbaar wezen
Voor
Haar liefde, voor Haar trouw ?
Zouden
wij geen hulde brengen
Aan
onz' eed'le Koningvrouw ?
Alles
lacht en juicht en jubelt,
Ouden,
jongen één van zin,
Vieren
opgewekt tezamen
't
Feest van Neêrlands Koningin.
Vieren
opgewekt tezamen
't
Feest van Neêrlands Koningin.
3.
Laat
ons dan 't Verbond vernieuwen
Van
Oranje en Nederland,
Laat
ons dankend 't lot van beiden
Leggen
in Gods Vaderhand.
Alles
lacht en juicht en jubelt,
Ouden,
jongen één van zin,
Vieren
opgewekt tezamen
't
Feest van Neêrlands Koningin.
Vieren
opgewekt tezamen
't
Feest van Neêrlands Koningin.
Waarom
ik van Holland hou?
1.
Waarom
ik van Holland hou?
Om
zijn lage, groene weiden
Om
zijn heuvels, duinen, heiden
Om
zijn wuivend oeverriet
Om
zijn luchten in 't verschiet
Om
zijn bossen, strand en zee
Om
zijn vogels en zijn vee
Om
zijn vogels en zijn vee
2.
Waarom
ik van Holland hou?
Om
zijn schone landhistorie
Om
zijn nederlaag en glorie
Om
zijn stoere vrijheidszin
Om
zijn gulle mensenmin
Om
zijn wijsheid, kunst en kracht
Om
de roem van 't voorgeslacht
Om
de roem van 't voorgeslacht
3.
Waarom
ik van Holland hou?
Om
de liefde ons geschonken
Om
de vriendschap hecht beklonken
Om
het lieflijk ouderhuis
Om
mijn eigen vriend'lijk thuis
Om
mijn nooit volprezen jeugd
Om
geleden smart en vreugd
Om
geleden smart en vreugd
4.
Holland
is mijn lief kleinood
'k
Zal zijn roem en lof verkonden
Tot
mijn laatste levensstonde
't
Blijv' een veilig toevluchtsoord
Door
geen vijandschap verstoord
Stille
vreê bij noeste vlijt
Woon'
er tot in eeuwigheid
Woon'
er tot in eeuwigheid
'k
Hou van Holland
1.
'k
Vraag zo vaak, hoe zou het komen
dat ik zo van Holland hou
Zijn het zijn bossen, zijn het zijn bomen
zijn rivieren breed en blauw
zou het zijn strand zijn, of de kruinen
van zijn altijd blonde duinen
Is
het hierom, is het daarom
dat ik zo van Holland hou?
Is het hierom, is het daarom
dat ik zo van Holland hou?
2.
Is het de weelde van zijn weide
het schouwspel van zijn akkerbouw
het prachtig feestkleed van zijn heide
in haar bloei van paars en blauw
schets van kerkjes op de hemel
achter golvend graan gewemel
Is
het hierom, is het daarom
dat ik zo van Holland hou?
Is het hierom, is het
daarom
dat ik zo van Holland hou?
3.
Zijn het zijn wisselende luchten
soms zo helder, soms zo grauw
zijn het zijn bloemen of zijn vruchten
hyacinthen, rood-wit-blauw
zou het de roem zijn van het verleden
de oude glorie zijner steden
Is het hierom, is het
daarom
dat ik zo van Holland hou?
Is het hierom, is het
daarom
dat ik zo van Holland hou?
4.
Och, het is het al tezamen
beelden, oud en lief en trouw
veel en vroeg gehoorde namen
en de driekleur hoog in 't blauw
wapperend van dak en toren
in het land waar ik ben geboren
Is het hierom, is het
daarom
dat ik zo van Holland hou?
Is het hierom, is het
daarom
dat ik zo van Holland hou?
Naastenliefde
1.
Laat
af van 't strijden, volk'ren ontaard,
Staakt al die wreedheid, 't mensdom onwaard.
Ziet om u henen, overal wee!
"Heer, schenk hun wijsheid, Heer schenk hun vree!"
2.
Strijdt eed'ler strijd toch, strijdt allen saâm,
Voor naastenliefde in Godesnaam.
Hoort gij dat smeken niet, innig en teer?
"Wijsheid en liefde geef ons, o Heer!"
3.
Groot, Machtig Heerser, leidt Gij die strijd,
Die 't smachtend mensdom hopend verbeidt,
Dàn, nood noch smart meer, droefheid noch wee,
Dan wàre liefde, dan wàre vree!"
Vrede
1.
Vrede spreid
gij uw zachte vleugels
Over de donkere aarde heen -
Over de moeden en de gewonden,
Over de duizenden, die verzwonden,
Over al de snikkende monden,
Die verbleekt zijn van geween!
2.
Vrede daal gij
uit de lichte sferen,
Waarheen gij vluchtet voor deze wereldsmart,
Daal over hen, die u hebben verraden,
En over de dwazen, die op u smaadden,
En over de blinden, die om u baden,
Daal - daal gij weder in ons hart!
3.
Opdat uw liefde
daar weder wone,
Opdat uw liefde ons weer genas -
Liefde bove' onze ijdele wenschen,
Liefde over alle ijdele grenzen,
Liefde alleen, van mensch tot menschen,
Die eindelijk leerden wat liefde was!
Vrede
-2
1.
Komt,
kind'ren van den nieuwen tijd
Zingt
't nieuwe lied thans mede
Het
is geen lied, dat roept tot strijd
Maar
't is een lied van Vrede!
Ook
wij zijn trouw aan Volk en Land,
Wij
dragen vaandels in de hand,
Die
witte Vlag, die volgen wij
Die
stemt ons hooggezind en blij!
Vrede,
vrede spreid Uw zegen
In
de landen aller wegen
Ruw
geweld heeft afgedaan
Volgt
de witte vredesvaan!
2.
Er
is een kracht veel machtiger
Dan
die van vuur en staal
Er
is een macht veel krachtiger
Die
spreekt een schooner taal!
De
geest der liefd' heeft ons geleerd
Dat
wie niet and'rer begeert
Wie
eerbied heeft en eerbied dwingt
Eerbiedigt
onze leus en zingt:
Vrede,
vrede spreid Uw zegen
In
de landen aller wegen
Ruw
geweld heeft afgedaan
Volgt
de witte vredesvaan!
3.
En
zijn de meningen verdeeld
Zij
't eerste woord niet "strijden"
Maar
over verlegt, begrijpt elkaar
Tracht
onmin te vermijden
Want
ieder kind van heden weet
Hoe
vreeslijk oorlog is, hoe wreed,
Welaan
dan, vrede zij ons woord,
O,
klink' deez' leus van oord tot oord:
Vrede,
vrede spreid Uw zegen
In
de landen aller wegen
Ruw
geweld heeft afgedaan
Volgt
de witte vredesvaan!
Daad
der jongeren
Jong'ren
van Holland,
uw
werken zij vrede
Vree
zij uw daad
Help
gij de werkers voor vredestijd mede
Zaai
mee hun zaad
Breek
mee de waap'nen, de boze, de wrede
Schaf
mee uw raad;
Eén
zij ons willen en één onze bede
Vrede,
vrede onze daad.
God,
red de volk'ren
1.
Wanneer
redt Gij de volk'ren
Barmhartig
God, wanneer?
Niet
koningen of tronen
Maar
menschen, menschen, Heer!
O,
zie Gij hen met deernis aan
Laat
hen niet als het kaf vergaan
En
niet in 't duister ondergaan
God,
red de volk'ren!
2.
Zal
't kwaad meer kwaad steeds scheppen
Macht
heerschen over recht?
Zal
't menschen, Vader, zwoegen
Voor
wat is boos en slecht?
Neen,
roepen berg en hemel luid
Eens
treedt de zon de wolken uit
De
zucht verstomt voor blij geluid
God,
red de volk'ren!
3.
Wanneer
redt Gij de volk'ren
Barmhartig
God wanneer?
De
menschen, ja, de menschen
Geen
troon of vorsten, Heer!
Red
hen, verlos zúit slavernij
Want
Uwe kinderen zijn zij
Maak
hen van zonde en wanhoop vrij!
God,
red de volk'ren!
Volkenbondlied
1.
De
wapens uit de handen!
Geen
bloed en geen gevecht
Gezag
in alle landen
En
vrede door gerecht
O,
Heer! wil 't menschen leiden
In
d' een'ge juiste baan
Zoo
dat het daarvoor strijden
En
werken mag gaan
2.
Verlos
de armen volken
Van
oorlog en geweld!
Doe
hen Uw Woord vertolken
Dat
Liefde 't hoogste stelt
Wil
zeeg'nen, Heer, den arbeid
Van
onzen wolkenbond
Dat
die tot heil der menschheid
Uw
woord goed verstond!