|
|
|
| 't Aardrijk ontroert
van vreugd |
Hangend in de lage
luchten |
Ons lokt het verre
geruis van de zee |
| Als de bloemen dromen |
Heer Langoor zou op
reis gaan |
Onze hond die was ziek |
| Als de boer wil dansen
gaan |
Helder lijk getik van
glas |
Op makkers op, de
velden in |
| Als de schooldeur wordt
gesloten |
Het boertje bindt zijn
schoven los |
O, zomer, mooie zomer |
| Als de morgen kriekt |
Het is een heldere dag
in Mei |
Rinkel, tinkel, rinkel,
tinkel |
| Als makkers zijn wij
saam vereend |
Het leven is een
krijgsbanier |
Rood en goud, rood en
goud |
| Als zomerzonne lachend
schijnt |
Het waait, hallo ons
hindert het niet |
Sikkels blinken |
| Baas Klopstra zat in
zijn schoenmakerij |
Het windje waait |
Stille nacht, heilige
nacht |
| Blij wapperen van d'
Eems tot 't Zwin |
Hoe groot en goed, hoe
wonderbaarlijk |
Te voorschijn nu, o
Lentezon |
| Daar gaan ze |
Hoera, het is weer
Zaterdag |
Twee lieve kleine
meiskes |
| Daar is een twijg
ontloken |
Hoezee! vandaag is 't
feest der jeugd |
Van Lauwerzee tot
Dollard tou |
| Daar lei een scheepjen
al leize |
Hoezee! wij gaan naar
buiten |
'k Vraag zo vaak: Hoe
zou het komen |
| Daar lopen drie aardige
meisjes |
Hoor je ze jagen, de
Maartse vlagen |
Vrede, spreidt gij uw
zachte vleugels |
| Dankt, dankt nu allen
God |
Hoor stoute mussen
groot en klein |
Waar eens 't gekrijs
der meeuwen |
| Daar juicht een toon,
daar klinkt een stem |
Hoort de zuivere
klokken klinken |
Waar in 't bronsgroen
eikenhout |
| De handen uit de mouwen |
Hoort ge wel die schone
zangen |
Waarom ik van Holland
hou |
| De Heer kent al de
zijnen |
Hoort gij hem bezig den
woelenden wind |
Wanneer ik mij des
morgens vlug naar school |
| De kerstklokjes
klingelen zo liefelijk en rein |
Ik heb u lief, mijn
heerlijk landje |
Wanneer redt Gij de
volk'ren |
| De Mei is gekomen |
In de dorstige Prins |
Water sjouwen |
| Dertig April, dertig
April |
In de frisse
wintermorgen |
Wat heerlijk om
chauffeur te zijn |
| De smid is aan het
smeden |
In de zomer rond te
dwalen |
Wat is dat daar, jou
kleine guit |
| De vogelkens alle zijn
slapen gegaan |
In God rust mijn ziele |
Wat is het fijn |
| De wapens uit de
handen! |
Is het weer niet altijd
zonnig |
Wat zingen die klokken
met diepe klank |
| De winter is verdwenen |
Ja, ik ben van het land |
We trekken vrolijk naar
het bos |
| De winterkaboutertjes
hebben vannacht |
Jezus is ons licht en
leven! |
Wie gaarne van zijn
overvloed |
| Dichter bij de bossen |
Jij bent een kwajongen |
Wie gaat mee, gaat mee
over zee |
| Dochter
Sions, wees
verheugd |
Jongens, heb je 't al
vernomen? |
Wie ooit u "donker
Zuiden"durfde heten |
| Droom
kindeke, droom |
Jong'ren van Holland,
uw werken zij vrede |
Wie
wand'len wil met
blijden zin |
| Een alleen is maar
verdrietig |
Kind van Holland, zing
je lied |
Wie zingt er mee een
jolig liedje |
| Een lied, een vrolijk
lied |
Komt, kinderen van de
nieuwe tijd |
'k Wilde U iets zeggen
Moeder |
| Een scheepje in de
haven landt |
Komt, laat ons zingen |
Wilhelmus van Nassauwe |
|
Een vaste burcht is onze
God |
Komt, vromen, deze dag |
Wilt heden nu treden
voor God den Heer |
| Een zachte val |
Kom zing met mij een
vrolijk lied |
Zeg blaadjes waar wil
je naar toe |
| Eere zij God in den
Hooge |
Krekeltje, krekeltje in
het gras |
Zeg broer en zusje als
je wandelen gaat |
|
Laat af van 't strijden
volk'ren ontaard |
|
| Eer wij wat weten |
Laat
vrij langs de wegen de wielen |
Zeg, heb je 't al
vernomen |
| Er is een kindeke
geboren op aard |
Lang lang, dreigend en
bang |
Zeg jongens en meisjes.
de feestdag is daar |
| Er ligt tussen Dinkel
en Regge een land |
't Lentezonnetje is
gekomen |
Zie, de sneeuw, zo
zacht en zuiver, tintelt als kristal |
| Frisch
als de morgen,
zijn kracht bewust |
Lof zij den Heer, den
Almachtige Koning |
|
| Frysk bloed, tsjoch op! |
Loof nu den
Heere, o
mijne ziele |
|
| 't Ga je goed |
Maria die soude naar
Bethlehem gaen |
|
| Geen dierder plek voor
ons op aard |
Nu syt
wellecome, Jesu
lieven Heer |
|
| Geest des
Heeren, kom
van boven! |
Nu vlagt er de Lente,
kom mee, o kom mee |
|
| Gelders dreven zijn de
mooiste |
O Heer, die daar des
hemels tente spreidt |
|
| Glijen, glijen, glijen |
O Hoofd des
Eengeboornen |
|